Column

Amsterdammertjes

Onlangs werd voor ons huis een aantal Amsterdammertjes omgebracht. Het was een genadeloze executie, uitgevoerd door een aantal stevig gebouwde gemeentewerkers. Zoals elke goede beul leken zij hun taak gedachteloos te verrichten; zij deden wat hun van hogerhand bevolen was, zonder het tonen van enige emotie.

Ze trokken de Amsterdammertjes ruw uit de grond, gooiden ze onverschillig op hun kar of lieten ze zieltogend en verbogen achter.

Ik stond er met tegenstrijdige gevoelens naar te kijken. Daar gingen ze, mijn roodbruine kameraadjes die op mijn tochten door de binnenstad zo trouw en efficiënt over mij waakten. Ik zou hun lelijkheid niet missen, maar wie nam hun taak over?

Naar verwachting zullen de laatste Amsterdammertjes omstreeks 2020 verdwenen zijn, le es ik op de leerzame site allesoveramsterdammertjes.nl van Charlie van der Veer. Nota bene: verdwenen uit Amsterdam, want er staan ook Amsterdammertjes in andere steden, tot in België aan toe.

De Amsterdammertjes stammen uit de achttiende eeuw en waren oorspronkelijk schamppalen, bedoeld om beschadiging van gevels door karren en koetsen te voorkomen. Het waren kanonslopen met de loop omhoog gericht en afgedekt met een kanonskogel – de oervorm van het Amsterdammertje. Het eerste echte Amsterdammertje dateert van omstreeks 1870 en stond in de poort van het Begijnhof.

Die Amsterdammertjes waren van gietijzer en veel zwaarder dan de plaatstalen Amsterdammertjes van na de Tweede Wereldoorlog. Ze kregen toen een andere functie: het voorkomen van parkeren. Die functie is nu overbodig geworden door het handhavingsbeleid op parkeergebied.

Als wandelaar zal ik de Amsterdammertjes missen. Ze stonden zó dicht naast elkaar dat je wist: achter hen ben ik altijd veilig. Nu ze er hier en daar niet meer zijn, zie je de auto’s alweer soms de stoep opzeilen wanneer ze op straat een obstakel moeten ontwijken. Ook zal het tijdelijk parkeren voor huizen toenemen. Dat kan ik moeilijk als een vooruitgang zien in een stad waarin het elk jaar drukker wordt.

Maar in optisch opzicht is het zeker een verbetering, het maakt de straten ruimer. Bovendien heb ik ze nooit mooi kunnen vinden, maar dat is een kwestie van smaak. Charlie van der Veer vindt dat ze tot het erfgoed van Amsterdam behoren en daarom op een aantal plaatsen moeten blijven – daar valt wat voor te zeggen. Ook burgemeester Van der Laan heeft laten weten dat ze nooit helemaal uit het stadsbeeld mogen verdwijnen.

De columnist-dichter Nico Scheepmaker dacht er anders over. Hij schreef omstreeks 1990 het lange, afkeurende gedicht Amsterdammertjes. Ik citeer de laatste vier strofen.

De Amsterdammertjes van Amsterdam…/ De allermooiste stad van Moeder Aarde/ staat dankzij al die paaltjes stijf en stram/ als binnen het corset van een bejaarde.

De Amsterdammertjes van Amsterdam,/ zij zijn op hun manier zowaar nog sexy,/ zoals zij op de stoep met veel gedram/ te koop staan met hun eeuwige erectie.

De Amsterdammertjes van Amsterdam:/ een late Siegfriedlinie op de pleinen./ Ik wou maar dat daar snel een eind aan kwam/ zodat zij ook als chocola verdwijnen!/

De Amsterdammertjes van Amsterdam,/ we moeten honderdduizendvoudig heien/ en al die paaltjes, in memoriam,/ de bodem van de hoofdstad in rammeien!