‘Voor lokalen staat deur naar Den Haag open’

Lokale partijen willen meer macht, ook buiten hun gemeente. Zinvol, zegt Rinus van Schendelen tegen Ingmar Vriesema

Stel nu eens voor dat lokale partijen hun sterke positie onder kiezers ook in provinciehuis en Eerste Kamer verzilveren. Dan kunnen ze daar 30 procent van de zetels bemachtigen. Het Haagse speelveld zou er plots heel anders uitzien.

Dit schreef de Rotterdamse hoogleraar politicologie Rinus van Schendelen (1944) een jaar geleden in een opiniestuk in NRC Handelsblad, kort na de daverende overwinning van lokale partijen bij de gemeenteraadsverkiezingen.

Hij kon toen nog niet weten dat zijn opiniestuk een rol zou spelen bij de massale bundeling van lokale partijen op weg naar de Statenverkiezingen. Bert Euser van de politieke denktank Nederland Lokaal streefde namelijk precies die bundeling van lokalen na. Hij las het stuk en ging praten met Van Schendelen, die de denktank aanmoedigde het plan door te zetten. Dat geschiedde: Nederland Lokaal ging praten met lokalen in alle provincies. Het plan viel in vruchtbare aarde: overal wilden ze hun macht hogerop zoeken, gefrustreerd als ze waren door de politiek van provincie en rijk. Nog geen jaar later zijn er tien nieuwe provinciale partijen, die zijn opgezet door 150 lokale partijen.

Waarom verenigen de lokalen zich juist nú?

„Ik heb nooit begrepen waarom ze dat niet eerder deden. Al een decennium halen ze bij gemeenteraadsverkiezingen een kwart van de stemmen. Goed, vorig jaar maart werd dat 30 procent, maar de lokale macht was al fors. In de provincie verschrompelde de macht van niet-landelijke partijen juist. Bij de Statenverkiezingen van 2007 haalden regionale partijen nog bijna 4 procent van de stemmen, in 2011 was dat nog maar anderhalf procent. En in de Eerste Kamer zit een eenzame dwaler van de Onafhankelijke Senaats Fractie die de regionale belangen behartigt. Tot dusver was er gewoon nooit een échte poging van lokale partijen om zich te bundelen.”

Een lokale partij op landelijk niveau: dat klinkt tegenstrijdig.

„Dat is het niet. Vergeleken met andere EU-landen is Nederland erg centralistisch aangestuurd. Denemarken is decentraler, Duitsland ook. Denk aan de belastingen: daar gaan Nederlandse gemeenten nauwelijks over. En zonder centen ben je snel uitgepraat. Het districtenstelsel in de meeste andere landen maakt dat ook lokale politici daar in het parlement zitten. Bij ons staan ze nagenoeg buitenspel.”

Lokale partijen verschillen onderling enorm. Hoe moet een Statenlid of senator hen vertegenwoordigen?

„Deze nieuwe provinciale bewegingen komen niet op voor lokale partij A of B, maar voor het gemeenschappelijk belang. Een sterker lokaal bestuur en beleid. Een Statenlid kan lobbyen voor meer geld bij de provincie. Neem het provinciefonds, de zak geld die de provincie van het rijk krijgt. Tot dusver besteedt de provincie dat geld vooral zelf. Een lokaal geïnspireerde provinciale partij kan zeggen: schuif de budgetten voor, zeg, het milieu door naar gemeenten. Dan kunnen wij die per gemeente naar eigen inzicht besteden. De provincie wordt dan meer een doorgeefluik.”

Hef je de provincie dan niet op?

„Als duidelijk wordt dat de provincie vooral een doorgeefluik wordt, dan ligt de vraag naar opheffing voor de hand. Maar het hoeft niet. De provincies kunnen ook een andere rol kiezen. Een soort ijkpunt voor goed lokaal bestuur en beleid. Neem de jeugd- en ouderenzorg, die nu net naar gemeenten zijn overgeheveld. Alle gemeentes proberen hier, vaak op eigen houtje, vorm aan te geven. De ene vorm zal straks beter werken dan de andere. Effectiever, efficiënter. De provincies, zonder enig eigenbelang op deze gebieden, zouden de ‘best practices’ kunnen selecteren.”

Stel, de lokalen krijgen in de Eerste Kamer voet aan de grond. Wat kunnen ze daar betekenen?

„De landelijke politiek is instabiel. Een regeringscoalitie met een vaste meerderheid is een schaars goed, en dat zal zo blijven. De lokalen, de grootste partijenfamilie van Nederland, kunnen gedoogsteun bieden. Aan Rutte II, aan volgende kabinetten. En dan zijn er zaken waar sommige lokale partijen niets in zien. Maar in ruil daarvoor krijgen ze wél meer macht en budget voor lokaal beleid. De deur naar Den Haag staat open.”