Verdachte zaak Borst hoorde al in de cel

Waarom liet OM verdachte op vrije voeten, vraagt Sonja Meijer zich af.

illustratie KAP

Bart van U. wordt verdacht van het plegen van twee moorden in een periode waarin hij eigenlijk vast had moeten zitten. Op oud-minister Els Borst in februari vorig jaar en afgelopen januari op zijn zus Lois. Het Openbaar Ministerie kondigt aan een onderzoekscommissie in te stellen die ‘grondig en breed’ moet onderzoeken hoe het komt dat Bart van U. steeds psychiatrische hulp wist te ontlopen, hoewel hij meerdere keren in contact kwam met justitie en er grote zorgen bestonden rondom zijn psychische gesteldheid. Een andere – even belangrijke vraag – blijft daarmee onbelicht.

Hoe kan het dat het Openbaar Ministerie een door de rechter opgelegd bevel tot het gevangennemen van Van U. niet heeft uitgevoerd?

In september 2012 heeft het gerechtshof in Den Haag een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd wegens verboden wapenbezit aan Bart van U. Het hof legde een hogere straf op dan de rechtbank (10 maanden gevangenisstraf waarvan 4 voorwaardelijk) omdat verdachte weigerde zijn medewerking te verlenen aan een persoonlijkheidsonderzoek en begeleiding door de reclassering.

Uit rapporten van de reclassering waaraan de verdachte wel heeft meegewerkt, komt een beeld naar voren van een man die aangeeft dat de wet niet op hem van toepassing is, dat hij zich gerechtigd voelt om zich te bewapenen tegen een mogelijke (islamitische) aanval en dat hij de dreiging van deze aanval constant en overal voelt, ook als hij zich aan boord van een schip bevindt voor zijn werk. Het hof beveelt in zijn vonnis de gevangenneming. Vanwege zijn werk is Van U. niet bij de uitspraak aanwezig. Als hij twee weken later van boord is, tekent hij cassatie aan bij de Hoge Raad.

Ondanks het bevel van de rechter besluit de advocaat-generaal dat Van U. het vervolg van zijn zaak in vrijheid mag afwachten. Volgens het Openbaar Ministerie was die beslissing ingegeven door het grote verschil tussen de straf van het hof en de eerste strafoplegging van de rechtbank in Rotterdam.

PvdA Tweede-Kamerlid Jeroen Recourt kondigt in de Telegraaf van 28 januari jl. aan Kamervragen te zullen stellen aan minister Opstelten. Hij merkt daarbij op dat sancties die een rechter oplegt in een strafzaak, kunnen worden opgeschort als er hoger beroep wordt ingesteld.

Dat mag volgens hem alleen bij lichte delicten, maar hij vreest dat het ook bij zware delicten gebeurt. Het Kamerlid verwoordt hier de huidige praktijk, die regelrecht in strijd is met de geldende wettelijke regeling.

Het Openbaar Ministerie heeft namelijk een plicht om rechterlijke beslissingen uit te voeren. Daar kan geen enkel misverstand over bestaan. Het Openbaar Ministerie heeft niet de vrijheid om zich op grond van zijn eigen oordeel over de rechtmatigheid van het bevel te onttrekken aan de uitvoering van die last.

Enige andere uitleg van dit uitgangspunt zou er voor zorgen dat een officier van justitie of een advocaat-generaal zijn of haar persoonlijke opvatting over de wenselijkheid van de uitvoering boven de rechterlijke beslissing kan plaatsen. De executieplicht ligt besloten in het systeem van de wet waaraan het stelsel van ‘checks and balances’ ten grondslag ligt: de wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht dienen gescheiden te zijn.

In dit stelsel ligt een heldere afbakening van taken en bevoegdheden tussen de verschillende machten besloten. Zo is de rechter belast met het doen van rechterlijke beslissingen en is de uitvoerende macht belast met de tenuitvoerlegging daarvan.

Op die manier houden de verschillende machten elkaar in evenwicht en kunnen ze elkaar controleren. Zo wordt voorkomen dat het Openbaar Ministerie of de minister van Veiligheid en Justitie een hun (politiek) onwelgevallige rechterlijke beslissing niet uitvoert.

Nu is dit niet de eerste – en naar ik vrees ook niet de laatste – keer dat het Openbaar Ministerie rechterlijke beslissingen bewust negeert. Uit een rapport van de Algemene Rekenkamer van februari 2012 bleek dat het Openbaar Ministerie in de periode 2004 tot 2008 zo’n 2200 door de rechter opgelegde vrijheidsstraffen en geldboetes niet uitvoerde.

Deze straffen werden ‘ter verjaring opgelegd’, dat wil zeggen dat het Openbaar Ministerie geen inspanning verrichtte om de opgelegde straf uit te voeren tot het moment dat de straf verjaard was. Dat gebeurde bijvoorbeeld omdat de veroordeelde onvindbaar was, detentieongeschikt of omdat er – zoals in deze zaak – later hoger beroep was ingesteld.

De minister beloofde destijds beterschap en kondigde aan de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen onder de directe verantwoordelijkheid van de minister te willen brengen om daarop strakker te kunnen sturen. Het probleem is echter niet zonder meer verholpen door het verschuiven van de verantwoordelijkheid. Het gaat er om dat die verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk wordt genomen.

De zaak van Bart van U. vormt aanleiding om nogmaals te bezien hoe vaak het Openbaar Ministerie na 2008 niet is overgegaan tot het uitvoeren van rechterlijke beslissingen en welke redenen daaraan ten grondslag lagen.

Het zou verder goed zijn wanneer de minister bij de beantwoording van de Kamervragen helderheid verschaft: rechterlijke beslissingen moeten door het Openbaar Ministerie worden uitgevoerd.