Meer geluk dan dapperheid

illustratie marike knaapen

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week: De voortijdige begrafenis van Edgar Allan Poe.

Een schrijfopdracht voor de komende Boekenweek (thema: waanzin) leidde me de afgelopen maanden opnieuw naar het werk van Edgar Allan Poe. De Amerikaanse poète maudit is beroemd om personages die op de rand van krankzinnigheid balanceren, hoog-intelligente buitenbeentjes die plotseling doordraaien. Ten minste zo opvallend in zijn verhalen is de angst voor de dood, een angst waarin de hoofdpersonen haast lijken te zwelgen. Niet alleen in Het masker van de Rode Dood, dat gaat over een soort ebola-epidemie, of in Een afdaling in de Maëlström, over een schrikwekkende schipbreuk, maar ook in het onheilszwangere De ondergang van het Huis Usher en in de enige roman die Poe schreef, The Narrative of Arthur Gordon Pym.

De doodsangst heeft vele gedaanten bij Poe, en vooral die in De voortijdige begrafenis (The Premature Burial) is memorabel. De hoofdpersoon van dat verhaal lijdt aan katalepsie, terugkerende aanvallen van spierverstijving en bewusteloosheid, en is daarom geobsedeerd door gevallen van schijndood: mensen die dood leken en weer bij bewustzijn kwamen toen ze in hun graf(kelder) werden gelegd. Zijn angst om levend begraven te worden zet hem ertoe aan om overdreven voorzorgsmaatregelen te nemen. Maar hij is zo van paniek vervuld dat je als lezer al snel begint te vermoeden dat hij zijn noodlot niet zal ontlopen. Wat wil je met iemand die leeft ‘in een wereld van waandenkbeelden waarboven op enorme, zwarte, allesoverschaduwende vleugels vol dreiging dat ene Idee van het graf zweefde’ (vert. Paul Syrier)?

Zelf lijk ik gelukkig weinig op de verteller uit Poe’s verhaal. Een paar maanden geleden appte een van mijn zusjes of ik niet bang was bij het idee dat ik vroeg zou sterven. Ik antwoordde haar dat ik daar nooit last van had. Later bedacht ik me dat dat niet helemaal waar was. Er waren twee momenten geweest waarop de angst me naar de keel had gegrepen, al was dat in beide gevallen in het ziekenhuis, onder bijzondere omstandigheden.

De eerste keer was toen ik in april met slaap- en ademhalingsklachten naar het Centrum voor Thuisbeademing in Utrecht ging. De intake werd gedaan door een doodernstige arts, die na een prik in mijn oorlel een alarmerend hoog koolzuurgehalte in mijn bloed constateerde en verklaarde dat ik ‘maximaal elf dagen’ te leven had als ik niet meteen zou worden opgenomen om te wennen aan nachtbeademing. Even sloeg de paniek toe (‘het kwam nu wel erg dichtbij’), vooral omdat alle bedden van het CTB bezet bleken; maar toen ik twee uur later was ingecheckt bij de intensive care en voor de eerste keer een beademingsmasker op mijn neus gedrukt kreeg, leek het acute gevaar geweken en had ik genoeg andere dingen om aan te denken.

Een kleine week later, de nacht voor mijn ontslag uit de IC, ging er iets mis met de beademing waardoor ik te veel lucht hapte en wakker werd van de maag- en darmkrampen. Ik kon niet meer inslapen, voelde me koud en beroerd, en merkte na een paar uur dat er een steen op mijn maag lag, terwijl mijn geest zich vulde met – ik citeer nu Poe die Shakespeare citeert – gedachten ‘over wormen, over tombes en over grafschriften’. Pas toen de zaalarts me een oxazepam had laten slikken, verdween het nare gevoel en ook de angst voor de dood.

Bij die twee kortstondige aanvallen is het vooralsnog gebleven. Met dapperheid of doodsverachting heeft dat weinig te maken, ik word gewoon niet meer overvallen door gedachten aan het Niets dat me wacht. Ik ben gezegend met nuchterheid, waar anderen geplaagd worden door paniek. Kwestie van geluk. Zelfs toen ik halverwege 2014 na twee mislukte buikoperaties crepeerde van de pijn en in een uitzichtloze situatie serieus over euthanasie nadacht, was er geen doodsangst – alleen een diep gevoeld verlangen om de pijn te stoppen.

Natuurlijk houd ik rekening met de mogelijkheid dat ik in een later stadium, als de benauwdheid toeneemt en de ledematen niet meer willen bewegen, alsnog bang word voor de dood. Per slot van rekening heb je maar één leven en blijft het een verschrikkelijk idee om afscheid te moeten nemen van iedereen die (en alles wat) je dierbaar is. Maar tegen die tijd hoop ik op dezelfde berusting die je ziet bij mensen die ouder zijn dan ze ooit hoopten te worden: het is mooi geweest, ik ben moe, laat me nu maar rustig inslapen. Waarbij het een troostende gedachte is dat de euthanasiewetgeving in Nederland zo’n waardig en pijnloos einde ook mogelijk maakt.

‘Waar ik ben, is de dood niet, en waar de dood is, ben ik niet’. Aldus een beroemd spreekwoord, dat door Karel van het Reve wordt toegeschreven aan de Russische kozakken en door de rest van de wereld aan de oude Grieken. Geloof me, het is de beste manier om tegen je naderende einde aan te kijken. Je kunt je energie nu eenmaal beter gebruiken om je leven zo normaal mogelijk te houden. Net als zelfmedelijden is doodsangst contraproductief en zonde van de tijd; het is eigenlijk een voortijdige begrafenis.