Meer bombast dan nodig

We belanden met Een onschuldig meisje in de wereld van het onderwijs. Een jonge docent, Jos Swinkels genaamd, ziet zichzelf in een soort Mees Kees-achtige positie geplaatst als hij de groep 8 over moet nemen van een overspannen docente. De directeur die hem instrueert mag dan nog net geen Bint zijn, maar desondanks, Ordnung muss sein. “‘Je netjes kleden’, adviseert deze Hiemstra. ‘Onopvallend, niet overdreven modieus, gewoon netjes. […] Kleding kan helpen bij het scheppen van de juiste afstand.’ Verval niet in schooltaal of dialect. Laat je met ‘u’ of ‘meneer’ aanspreken.”

De uitdaging van Swinkels bestaat er in beginsel dan ook niet uit om leerlingen te ontplooien, nee, het belangrijkste is dat hij voorkomt één van hen te worden.

Een vroegrijp meisje weigert zich bij deze status quo neer te leggen. Bernlef presenteert het door haar georganiseerde verzet tegen Swinkels als autobiografisch: het is niet de leraar die niet deugt, het is de leerling die zichzelf met een coup verwezenlijkt.

Het zedelijke verhaal dat volgt vertoont veel affiniteit met het indrukwekkende Jagten, de film waarin men ook al zo plotseling genoeg had aan het woord van een kind om een mannelijke docent van pedofilie te betichten. Via een bochtje komen we hier aan bij bekende Bernlef-thematiek, namelijk die van de alomtegenwoordige verbeelding. En in het verlengde hiervan, de bereidheid om feiten op te blazen, om aan gebeurtenissen meer allure en bombast toe te kennen dan noodzakelijk. Swinkels weet maar al te goed dat hij zich hier ook als docent aan bezondigt; hij ziet zichzelf op de eerste plaats als een redenaar. Na een zwierig verteld oorlogsverhaal lezen we: ‘Ja, vertellen kon hij. Dat deed hij het liefst. Het reguliere onderwijzen deed hij er als het ware bij.’ En zo speelt hij de fakkel door, want ook de opstellen die de kinderen daarna zelf over de Tweede Wereldoorlog afleveren staan vol spectaculaire handelingen.

Zo bezien bevat Een onschuldig meisje tal van vonkjes waar een indrukwekkend vuur uit had kunnen groeien. In de handen van Bernlef is daar in dit geval echter te weinig van terechtgekomen, want het is een, zowel in stijl als compositie, tamelijk voorzichtige omgang met licht ontvlambare materie. Er wordt voorgekauwd en voorspelbaar gemoraliseerd, en Swinkels’ slotopmerking dat hij even daarvoor ‘in het luchtledige’ zweefde kan door de lezer helaas niet anders worden opgevat dan als een verzinsel.