Ik vind niet dat je altijd alles moet kunnen zeggen

Het gaat erom wat je verstaat onder de vrijheid van meningsuiting voordat je het belang ervan steeds maar weer herhaalt, bepleit Taco Börger.

Ik had zijn dochter zojuist een hoer genoemd. Ik wist niet eens of hij wel een dochter had, en dus ook niet dat ze pas twaalf was, maar daar ging het hier niet om. Het ging erom dat hij vond dat je altijd alles moest kunnen zeggen en ik vond dat dat niet zo was. En nu al, nog geen vijf seconden nadat hij het verkondigd had, vond hij het blijkbaar toch weer niet en herinnerde hij me er kwaad aan dat ik het wel over zijn dochter had. Ik stelde hem gerust en vertelde hem dat ik het me realiseerde maar dat het ondanks dat toch een lekker wijf was.

We waren geen vrienden en zouden het zeker nooit worden. Maar afgezien daarvan had hij me ook kwaad gemaakt met zijn uitputtende herhaling van het pleidooi over het belang van de vrijheid van meningsuiting. Ik had het de afgelopen weken al minstens duizend keer gehoord en ook dit keer sloeg het weer eens nergens op. In elk geval niet zoals hij het uitlegde. En dus had ik zijn dochter een hoer genoemd en hoopte ik nu vooral dat hij begreep wat ik bedoeld had.

Het was erg stil die dag in de kleedkamer. En warm. Maar dat laatste kan natuurlijk ook aan mij gelegen hebben. Een kickbokser beledigen die twee koppen groter en twintig jaar jonger is dan ikzelf had namelijk nooit erg hoog op mijn slimme dingen lijst gestaan. En dat terwijl ik de afgelopen tijd toch wel voldoende kansen gekregen had om zoiets doms te roepen. In veiliger gezelschap vooral. Maar uitgerekend nu had ik het gedaan. Waarom kon ik me niet bedenken. Maar ik had nu dan ook wel belangrijkere dingen om over na te denken. Waar m’n bitje was bijvoorbeeld. Of hoe snel ik bij de deur zou kunnen komen. Waarom zijn handen zo groot waren. Misschien zelfs wel hoe ik m’n excuses aan zou kunnen bieden. Liegen dat het me speet en dat ik het zo niet bedoeld had. Dat laatste was wellicht nog wel het slimst.

Maar het was ook al te laat. Hij vond namelijk dat ik waarschijnlijk toch wel gelijk had. Uiteraard niet wat zijn dochter betrof, want dat was onnodig grof geweest, maar hij begreep wat ik ermee bedoeld had. En dat was mooi. Ik had gelijk gekregen en ik had al mijn tanden nog. Dat laatste was namelijk ook niet onbelangrijk. Het duurde daarna best lang voordat ik me realiseerde dat ik hem alleen maar had kunnen overtuigen door hem diep te beledigen. En dat was dan weer minder mooi. Het was eigenlijk zelfs wel jammer. Vooral omdat het betekende dat ik dus misschien toch geen gelijk had.