Doven spreken twee talen tegelijk

zag doven vaak woorden articuleren terwijl ze gebarentaal spreken.

Richard Bank: „In een gesprek één op één red ik mezelf aardig in gebarentaal.” foto Merlijn Doomernik

Pure gebarentaal bestaat niet. „Niet in Nederland, althans.” Dat is een van de conclusies uit het onderzoek waarop Richard Bank vrijdag in Nijmegen promoveerde. Als doven met elkaar in gebarentaal communiceren, staat hun mond amper stil.

Soms is de beweging die ze met hun mond maken, of met hun hele gezicht, onderdeel van een gebaar uit de gebarentaal. Zoals bij ‘een groot boek’: de handen vormen ‘boek’; opgebolde wangen geven aan dat dat boek groot is. Maar veel vaker articuleren doven tijdens het gebaren met hun mond een woord uit het gesproken Nederlands. Dat laatste geldt voor maar liefst 83 procent voor de mondbewegingen van gebarende doven, ontdekte Bank. Nederlandse doven – het gaat hier om mensen die doof geboren zijn of dat werden voordat ze leerden spreken – mengen hun Nederlandse Gebarentaal dus voortdurend met mondbewegingen uit het gesproken Nederlands. Een heel andere taal, die niet de moedertaal van doofgeborenen is.

Bank rolde „min of meer toevallig” het gebarentaalonderzoek in, vertelt hij. Hij kende nog geen doven. Een jaar of tien geleden had hij een paar jaar werk bij een touroperator en een tiental baantjes via uitzendbureaus achter de rug. Bij een van de laatste moest hij facturen in mappen doen. „Ik kan meer dan dat, dacht ik.” Voor hij in Amsterdam algemene taalwetenschap ging studeren, volgde hij enkele proefcolleges. Spaans („hartstikke saai”) en Nederlandse Gebarentaal. Daardoor was hij meteen gegrepen: „Met een paar gebaren kon je meteen al een zinnetje maken. Ontzettend motiverend.” Bank volgde naast zijn studie gebarentaalcursussen bij Stichting Welzijn Doven Amsterdam, werkte als vrijwilliger bij de dovensportbond en studeerde uiteindelijk af in de algemene taalwetenschap met als specialisaties gebarentaalkunde en fonetiek.

Communiceer je zelf vloeiend in gebarentaal? Heb je een naamgebaar?

Hij legt de gebalde vuist van zijn rechterhand op zijn rechterschouder, een beetje alsof hij zijn haar in zijn nek samenknijpt. „Toen ik in 2004 doven begeleidde die mee gingen doen aan de Deaflympics in Melbourne zag ik dat er op die manier aan me gerefereerd werd. Ik had toen heel lang haar dat ik in een staart droeg, vandaar. En vloeiend, nee, dat zou ik niet zeggen, maar in een gesprek één op één red ik mezelf aardig in gebarentaal. Groepsdiscussies volgen vind ik wel moeilijk – voor je het weet komt er een cruciaal gebaar langs dat je niet kent.”

Maar voor het onderzoek communiceerde je niet met doven?

„Klopt, ik maakte gebruik van het Corpus Nederlandse Gebarentaal: 72 uur video-opnamen van 92 in tweetallen gebarende doven. Ik heb helaas lang niet alles bekeken. De opnamen zijn zes of zeven jaar geleden al afgerond, maar nog geen kwart van het corpus is nu geannoteerd, dat is heel tijdovend werk. Maar ik heb dus urenlang naar video’s gekeken.”

Was het niet heel moeilijk om de mondbewegingen te liplezen?

„Ja, ontzettend moeilijk! Voor mondvormen die onderdeel zijn van gebarentaal is er een systeem om ze te beschrijven: is de mond open, de tong zichtbaar, zijn de lippen gespreid, de wangen bol? Maar voor de mouthings die ik onderzocht, de mondvormen uit gesproken Nederlands, werkt dat niet. Dan raak je het verband kwijt met de betekenis. Ik koos ervoor die bedoelde betekenis te noteren en dat is deels giswerk. Klinkers zijn vaak goed te herkennen, als foneticus ben ik daar ook in getraind, maar dan nog kun je niet zien of een lipbeweging een p of een b is. Ik moest vaak uit de betekenis van het gelijktijdige gebaar afleiden welk woord er waarschijnlijk gemouthed werd.”

Betekent dit ook dat doven moeten kunnen liplezen om elkaars gebarentaal te begrijpen?

„Of het nodig is voor begrip heb ik niet onderzocht. Maar de hoeveelheid mouthings doet vermoeden dat ze in elk geval bijdragen aan het begrip.”

Gebruiken doven nooit hun stem als ze die mouthings maken?

„Ik had het geluid van de video’s uit staan omdat dove gesprekspartners het ook zonder geluid moeten doen, maar mijn dove collega’s hoor ik soms onderling wel hun stem gebruiken.”

Zijn mouthings Nederlandse elementen die in de gebarentaal zijn opgenomen zoals het Nederlands leenwoorden heeft opgenomen?

„Nee, het gaat eerder om twee talen die tegelijkertijd gebruikt worden. Je kunt niet een Engels en een Nederlands woord tegelijk uitspreken, maar als je gebaart is de mond toch vrij. Als je die op dat moment tenminste niet voor een bijvoeglijk mondgebaar hoeft te gebruiken. Veel doven beheersen het Nederlands goed, daar krijgen ze ook onderwijs in en logopedie.”

Het gekke is dat in je onderzoek hoger opgeleide doven, die het Nederlands waarschijnlijk beter beheersen, minder mouthings bleken te gebruiken dan lager opgeleide doven.

„Ja, dat was tegen de verwachting in. Het verschil was miniem, hoor. Maar misschien zijn hoger opgeleide doven ook vaardiger zijn in gebarentaal en hebben ze mouthings minder nodig.”

Nog verrassender was dat je geen verschil in het aantal mouthings vond tussen doven die moesten leren spreken en doven die met gebarentaal zijn opgegroeid.

„Dat hadden we inderdaad niet verwacht. We vonden ook geen verschillen tussen mensen met horende en dove ouders, tussen mannen en vrouwen, geen leeftijdsverschillen. Er was wel in het algemeen veel variatie. Het punt is dat de dovengemeenschap geen coherente groep is. Je vindt ze door het hele land, als minderheid in een horende wereld.”

Denk je niet dat de doven op de video-opnamen meer mouthings gebruikten dan normaal omdat ze wisten dat het Corpus Nederlandse Gebarentaal vooral door horenden geanalyseerd zou worden?

„Dat kun je niet helemaal uitsluiten, maar we denken dat het wel meevalt. Het waren mensen die elkaar al langere tijd kenden, bij de opnamen waren alleen doven aanwezig en de horende onderzoekers met wie ze contact hadden, communiceerden met hen in gebarentaal. Bovendien wisten ze toen niet dat we onderzoek naar mondvormen zouden gaan doen.”