Dit is de historische toespraak van Richard von Weizsäcker

In 2008 ontving Richard von Weizsäcker de International Four Freedoms Award voor zijn bijdrage aan de verwerking van het Duitse oorlogsverleden door het einde van de Tweede Wereldoorlog voor Duitsland niet langer te definieren als de dag dat Duitsland de oorlog verloor, maar als 'de dag van de vrijlating'. Foto: Robin Utrecht/ANP

Op 8 mei 1985 werd op uitnodiging van de voorzitter van de Duitse Bondsdag en van de voorzitter van de Bondsraad een herdenkingsbijeenkomst gehouden in de zaal voor de plenaire vergaderingen van de Duitse Bondsdag. Veertig jaar daarvoor was een eind gekomen aan de oorlog in Europa en aan de nationaal-socialistische tirannie. De president van de Duitse Bondsrepubliek, Richard von Weizsäcker, hield tijdens deze herdenkingsbijeenkomst de volgende rede.

Door Richard von Weizsäcker

Prins Claus over de toespraak

Op 8 mei 1985 - 40 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa — sprak de president van de Bondsrepubliek Duitsland, Richard von Weizsäcker, in de Bondsdag te Bonn een redevoering uit waarin hij terugkeek op de periode van het nationaal-socialistisch schrikbewind en op de door dat bewind ontketende Tweede Wereldoorlog.

Daar in ons land in de dagen en weken voorafgaande aan de 8ste mei veel aandacht is besteed aan de jaren 1940-1945 en speciaal ook aan de bevrijding van Nederland, acht ik het begrijpelijk dat er bij ons relatief weinig aandacht is geschonken aan Von Weizsäckers toespraak. Ik juich het daarom toe dat de Regering van die toespraak thans een vertaling in het Nederlands doet verschijnen en spreek de hoop uit, dat velen ook hier te lande hem zullen lezen.

Ik juich dit toe om twee redenen: een algemene en een meer persoonlijke.

De algemene is dat het, meen ik, van betekenis moet worden geacht dat het staatshoofd van de Bondsrepubliek gesproken heeft zoals hij heeft gedaan: oprecht, eerlijk en zonder enige terughoudendheid. Hij heeft helder en duidelijk gesteld dat in 1939 de agressie slechts van één mogendheid uitging: het nationaal-socialistische Duitsland. Hij heeft nergens verzachtende woorden gebruikt. Misdaden noemde hij wat misdaden waren, met als grootste de moord op zes miljoen joden. Hij is de schuldvraag niet uit de weg gegaan. Hij heeft daarmee, naar mijn overtuiging, niet alleen de Bondsrepubliek een dienst bewezen maar alle landen met welke deze thans ten nauwste en vriendschappelijk samenwerkt. Immers die samenwerking kan alleen ook tussen de mensen en volkeren groeien en gedijen, wanneer zij gebaseerd is op een gemeenschappelijk onderkennen van het onheil dat Hitler en de zijnen van 1933 af eerst over Duitsland en vervolgens over Europa hebben gebracht.

De meer persoonlijke reden waarom ik het verschijnen in onze eigen taal van Von Weizsäckers toespraak toejuich, is dat hij geen woord heeft gesproken dat ik niet van ganser harte onderschrijf. Sinds bijna twintig jaar ben ik Nederlander. Daarvoor was ik Duitser. Juist mijn afkomst noopte mij, mij te verdiepen in dat allersomberste hoofdstuk uit de Nederlandse geschiedenis dat gevormd wordt door de tijd van de Duitse bezetting, Ik heb in de loop der jaren talloze contacten gehad zowel met personen die in die periode in de strijd tegen de bezetter hun leven op het spel zetten, evenals met anderen die het doelwit waren van een onbarmhartige vervolging. Het vertrouwen dat zij mij ruimhartig schonken, heb ik warm gewaardeerd. Tegelijkertijd ben ik mij steeds bewust geweest dat het de vraag deed rijzen hoe ik over de periode 1933-1945 dacht. Die vraag bleef vaak onuitgesproken. De heer Von Weizsäcker heeft naar mijn overtuiging in zijn moedige toespraak houding en gevoelens van de overgrote meerderheid van de Duitsers, jong én oud, vertolkt. Hij heeft ook mijn gevoelens vertolkt.

I

Vele volken herdenken thans de dag, waarop een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog in Europa. Naar gelang van zijn lotsbestemming heeft elk volk daarbij zijn eigen gevoelens. Overwinning of nederlaag, bevrijding van onrecht en vreemde overheersing of overgang naar nieuwe afhankelijkheid, verdeling, nieuwe bondgenootschappen, geweldige machtsverschuivingen - de achtste mei is een datum van beslissende historische betekenis in Europa. Wij Duitsers gedenken deze dag onder elkaar, en dat is noodzakelijk. Wij moeten de maatstaven daarvoor zelf vinden. Ontzien van onze gevoelens door onszelf of door anderen helpt ons niet verder. Wij behoeven en bezitten de kracht om de waarheid zo goed als wij kunnen onder ogen te zien, zonder vergoelijking en zonder eenzijdigheid.

De achtste mei is voor ons bovenal een dag van herinnering aan wat mensen moesten lijden. Het is tegelijkertijd een dag om de gang van onze geschiedenis te overdenken. Hoe eerlijker wij deze dag tegemoet treden, des te vrijmoediger kunnen wij onze verantwoordelijkheid voor de gevolgen daarvan aanvaarden. De achtste mei is voor ons, Duitsers, geen dag om feestelijk te vieren. De mensen die deze dag bewust hebben beleefd, denken terug aan heel persoonlijke en daarmee aan heel verschillende ervaringen. De een kwam thuis, de ander verloor zijn land van herkomst. Deze werd bevrijd, voor gene begon de gevangenschap. Velen waren alleen maar dankbaar, dat de nachtelijke bombardementen en de angst voorbij waren en dat zij het er levend hadden afgebracht. Anderen gevoelden smart over de totale nederlaag van het eigen vaderland. Verbitterd stonden Duitsers voor verbrijzelde illusies, andere Duitsers waren dankbaar voor het nieuwe begin dat hun werd geschonken.

Het was moeilijk om terstond duidelijk zijn plaats te bepalen. Onzekerheid vervulde het land. De militaire capitulatie was onvoorwaardelijk. Ons lot lag in de handen van de vijanden. Het verleden was verschrikkelijk geweest, vooral ook voor velen van deze vijanden. Zouden zij ons nu niet veelvoudig laten boeten voor wat wij hun hadden aangedaan? De meeste Duitsers hadden geloofd dat zij voor de goede zaak van het eigen land hadden gestreden en ook geleden. En nu zou blijken: dit alles was niet alleen tevergeefs en zinloos geweest, maar het had ook de onmenselijke doeleinden van een misdadige leiding gediend. Uitputting, radeloosheid en nieuwe zorgen kenmerkten de gevoelens van de meesten. Zou men nog de eigen familieleden terugvinden? Had een nieuw begin in deze ruïnes nog wel zin? Men keek terug in de donkere afgrond van het verleden en men blikte vooruit naar een onzekere, donkere toekomst.

En toch werd het van dag tot dag duidelijker, wat vandaag voor ons allen gemeenschappelijk moet worden gezegd: de achtste mei was een dag van bevrijding. Die dag heeft ons allen bevrijd van het systeem van de nationaal-socialistische tirannie, een systeem dat mensen veracht.

Niemand zal om wille van deze bevrijding vergeten welk zwaar lijden er voor vele mensen pas op de achtste mei begon, niemand ook het leed dat daarna is gevolgd. Maar wij mogen in het einde van de oorlog niet de oorzaak van vlucht, verdrijving en onvrijheid zien. Die oorzaak ligt veeleer in de aanvang van de oorlog en in het begin van dat dwangregime dat tot die oorlog leidde.

Wij mogen de achtste mei 1945 niet scheiden van de dertigste januari 1933.

Wij hebben waarlijk geen reden om op deze dag aan overwinningsfeesten deel te nemen. Maar wij hebben er alle reden toe de achtste mei 1945 te zien als het eind van een dwaalweg in de Duitse geschiedenis, een eind dat de kiem van de hoop op een betere toekomst in zich borg.

II

De achtste mei is een dag van herinnering. Herinneren wil zeggen: een gebeurtenis zo eerlijk en zuiver te herdenken, dat deze een deel van het eigen innerlijk wordt. Dat stelt zware eisen aan onze waarachtigheid.

Wij gedenken vandaag met droefheid alle doden van de oorlog en van de tirannie.

Herinneren wil zeggen: een gebeurtenis zo eerlijk en zuiver te herdenken, dat deze een deel van het eigen innerlijk wordt. Dat stelt zware eisen aan onze waarachtigheid.

Wij gedenken in het bijzonder de zes miljoen joden die in Duitse concentratiekampen werden vermoord. Wij gedenken alle volken die in de oorlog hebben geleden, bovenal de onnoemelijk vele burgers van de Sovjetunie en de Polen die het leven hebben verloren. Als Duitsers gedenken wij met droefheid de eigen landgenoten die om het leven zijn gekomen als soldaten, bij de luchtaanvallen, in gevangenschap en bij de verdrijving van hun geboortegrond. Wij gedenken de vermoorde Sinthi en Roma, de gedode homoseksuelen, de omgebrachte geesteszieken, de mensen die om wille van hun godsdienstige of politieke overtuiging moesten sterven. Wij gedenken de doodgeschoten gijzelaars. Wij denken aan de slachtoffers van het verzet in alle door ons bezette landen.

Als Duitsers eren wij de nagedachtenis van de Duitse verzetsslachtoffers, burgers, militairen en mensen op grond van geloofsovertuiging, slachtoffers van het verzet van arbeiders en binnen vakverenigingen, van het verzet der communisten.

Wij gedenken degenen die geen actief verzet hebben gepleegd, maar liever de dood ingingen dan hun geweten geweld aan te doen.

Foto: ANP

Concentratiekamp Auschwitz. Foto: ANP

Achter het onafzienbare leger van doden verheft zich een berg van menselijk leed: leed om de doden, leed door verwonding en verminking, leed door onmenselijke sterilisering onder dwang, leed in nachtelijke bombardementen, leed door vlucht en verdrijving van de geboortegrond, door verkrachting en plundering, door dwangarbeid, door onrecht en marteling, door honger en nood, leed door angst voor arrestatie en dood, leed door verlies van al datgene waarin men dwalend had geloofd en waarvoor men had gewerkt. Vandaag herinneren wij ons dit menselijk leed en gedenken het in droefheid. Wellicht hebben de vrouwen van de volken het grootste deel van het leed gedragen, dat de mensen werd opgelegd.

Hun leed, hun zelfverloochening en hun stille kracht vergeet de wereldgeschiedenis maar al te makkelijk. Zij hebben in angst geleefd en gewerkt, menselijk leven gedragen en beschermd. Zij hebben getreurd om gevallen vaders en zonen, mannen, broers en vrienden. Zij hebben in de donkerste jaren het licht van de humaniteit voor uitdoven behoed.

Aan het einde van de oorlog hebben zij als eersten en zonder uitzicht op een verzekerde toekomst de handen uit de mouwen gestoken om weer de ene steen op de andere te leggen: de puinruimsters in Berlijn en overal. Toen de mannen die het hadden overleefd, naar huis terugkeerden, moesten de vrouwen vaak weer een stap terugdoen. Vele vrouwen bleven door de oorlog alleen achter en brachten hun leven in eenzaamheid door. Dat de volken echter aan de verwoestingen en vernielingen, de wreedheden en onmenselijkheid innerlijk niet te gronde zijn gegaan, dat zij na de oorlog langzaam weer tot zichzelf kwamen, hebben wij eerst en vooral aan onze vrouwen te danken.

III

Aan het begin van tirannie stond de grenzeloze haat van Hitler tegen onze joodse medemensen. Hitler heeft die haat nooit voor de buitenwereld verzwegen. Hij heeft het hele volk tot werktuig van deze haat gemaakt. Nog op de dag voor zijn dood, op 30 april 1945, besloot hij zijn zogenaamde testament met de volgende woorden:

‘Bovenal verplicht ik de leiders van de natie en hun volgelingen tot strikte naleving van de rassenwetten en tot onbarmhartig verzet tegen dat wat alle volkeren ter wereld vergiftigt: het internationale jodendom.’

Het is waar, er bestaat vrijwel geen land, dat in zijn geschiedenis vrij bleef van oorlog en geweld, waarin het door eigen schuld verstrikt was geraakt. De volken-moord op de joden echter vindt zijn weerga in de geschiedenis niet.

De uitvoering van de misdaad lag in de handen van weinigen en werd voor de ogen van het publiek afgeschermd. Iedere Duitser echter kon er getuige van zijn wat de joodse medeburgers moesten ondergaan, van koude onverschilligheid via heimelijke intolerantie tot openlijke haat.

Wie kon zonder argwaan blijven na het branden van de synagogen, de plunderingen, de stigmatisering met de jodenster, de onttrekking van de rechtsbescherming, de onophoudelijke schending van de menselijke waardigheid?

Wie zijn oren en ogen opendeed, wie het wilde weten, die kon het niet ontgaan dat er deportatietreinen reden. De fantasie van de mensen mocht dan voor aard en omvang van de vernietiging te beperkt zijn, maar bij deze misdaden zelf kwam nog dat in werkelijkheid maar al te velen — ook van mijn generatie, die nog jong was en niet betrokken bij ontwikkeling en uitvoering der gebeurtenissen — probeerden onkundig te blijven van wat er gebeurde. Er waren vele manieren om het geweten te sussen, zich niet bevoegd te achten, de blik af te wenden, te zwijgen.

Wie zijn oren en ogen opendeed, wie het wilde weten, die kon het niet ontgaan dat er deportatietreinen reden

Toen aan het einde van de oorlog de hele onzegbare waarheid van de holocaust bekend werd, hebben maar al te velen van ons er zich op beroepen niets geweten of ook maar vermoed te hebben. Schuld of onschuld van een geheel volk bestaat niet. Schuld is, evenals onschuld, niet collectief, maar persoonlijk. Er is menselijke schuld die aan het licht is gekomen en die verborgen is gebleven. Er is schuld, die mensen hebben erkend of ontkend. Ieder die deze tijd bewust heeft meebeleefd, moet zich vandaag zelf in stilte de vraag stellen van zijn eigen betrokkenheid Het overgrote deel van onze huidige bevolking had destijds of nog de kinderleeftijd of was zelfs niet geboren. ZIJ kunnen geen persoonlijke schuld bekennen voor daden die zij helemaal niet hebben begaan Niemand met enig gevoel venvacht van hen dat zij een boetekleed dragen, alleen omdat zij Duitsers zijn. Maar hun voorouders hebben hun wel een zware erfenis nagelaten.
Wij allen, schuldig of niet, oud of jong, moeten het verleden aanvaarden. Wij allen hebben de gevolgen daarvan ondervonden en zijn daarvoor aansprakelijk

Jongeren en ouderen moeten en kunnen elkaar helpen om te begrijpen waarom het zo belangrijk is de herinnering levend te houden.

Het is niet de bedoeling het verleden naar onze hand te zetten. Dat is onmogelijk. Het verleden kan immers niet achteraf worden veranderd of ongedaan worden gemaakt. Wie zijn ogen sluit voor het verleden, wordt blind voor het heden. Wie zich de onmenselijkheid met wil herinneren, loopt gevaar voor nieuwe besmettingen.

Het joodse volk herinnert zich zijn verleden en zal het zich blijven herinneren. Wij zoeken als mensen verzoening, juist daarom moeten wij begrijpen dat er zonder herinnering in het geheel geen verzoening mogelijk is De ervaring van een miljoenvoudige dood maakt deel’ uit van het innerlijk van iedere jood op de wereld niet alleen omdat mensen zulk een gruwel niet kunnen vergeten, maar omdat de herinnering behoort tot het wezen van het joodse geloof.

Het willen-vergeten verlengt de ballingschap, en het geheim van de verlossing heet herinnering.

Het willen-vergeten verlengt de ballingschap, en het geheim van de verlossing heet herinnering. Deze vaak aangehaalde joodse wijsheid wil immers zeggen dat het geloof in God een geloof is in Zijn werken in de geschiedenis. De herinnering is de ervaring van het werken Gods in de geschiedenis. Zij is de bron van het geloof in de verlossing. Deze ervaring schept hoop, schept geloof in verlossing, in hereniging van dat wat gescheiden is, in verzoening. Wie de herinnering vergeet, verliest het geloof. Indien wij van onze kant zouden willen vergeten wat er is gebeurd in plaats van het ons te herinneren zou dit niet alleen onmenselijk zijn, maar wij zouden daardoor ook het geloof kwetsen van de joodse overlevenden en de aanzet tot verzoening teniet doen. Voor ons komt het er op aan dat wij in ons eigen hart de herinnering meedragen als een waarschuwend teken voor ons denken en voelen.

IV

De achtste mei is van diep ingrijpende historische betekenis, niet alleen in de Duitse, maar ook in de Europese geschiedenis.

De Europese burgeroorlog was ten einde en de oude Europese wereld was in stukken uiteengevallen: ‘Europa had zich leeggevochten’ (M. Stürmer). De ontmoeting tussen Amerikaanse en Sovjetrussische soldaten aan de Elbe werd tot een symbool van het voorlopige einde van een Europees tijdperk.

Zeker, dit alles heeft zijn oude historische wortels. De Europeanen hadden een grote, ja zelfs een beslissende invloed in de wereld, maar zij waren steeds minder in staat hun samenleving op het eigen continent in goede banen te leiden. Meer dan honderd jaar had Europa onder de botsing van nationalistische overdrevenheden geleden. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog waren er vredesverdragen gesloten, maar daaraan had de kracht ontbroken vrede te stichten. Opnieuw waren de nationalistische hartstochten opgevlamd en ze waren vervlochten met sociale noodtoestanden, Op de weg naar het onheil werd Hitler de drijvende kracht. Hij riep de massa-hysterie op en hij maakte er gebruik van. Een zwakke democratie was niet in staat hem tegen te houden. En ook de Europese Westelijke mogendheden - naar Churchills oordeel ‘zonder argwaan, niet zonder schuld’ - droegen door hun zwakte bij tot de noodlottige ontwikkeling, Amerika had zich na de Eerste Wereldoorlog weer op zijn eigen continent teruggetrokken en had in de jaren dertig geen invloed op Europa.

Hitler wilde de heerschappij over Europa, en wel door middel van oorlog. De aanleiding daartoe zocht en vond hij in Polen. Op 23 mei 1939 — enkele maanden voor het uitbreken van de oorlog — verklaarde hij tegenover de Duitse generaals:

Verdere successen kunnen niet meer zonder bloedvergieten worden verkregen….. Danzig is niet het belangrijkste doel. Ons gaat het om de uitbreiding van de levensruimte in het Oosten en de beveiliging van de voedselvoorziening….. Zo vervalt het probleem Polen te sparen en blijft het besluit over om Polen aan te vallen bij de eerste gelegenheid die ons goed uitkomt….. Daarbij spelen recht of onrecht of verdragen geen rol.

Op 23 augustus 1939 werd het Duits-Sovjetrussische Niet-Aanvalsverdrag gesloten. Het geheime Aanvullende Protocol regelde de ophanden zijnde verdeling van Polen.

Het verdrag werd gesloten om Hitler de inval in Polen mogelijk te maken. Daarvan waren de toenmalige leiders van de Sovjetunie zich volledig bewust. Voor alle politiek denkende mensen van die tijd was het duidelijk dat het Duits-Sovjetrussische verdrag de inval van HitIer in Polen en daarmee de Tweede Wereldoorlog betekende.

Evenwel, daardoor wordt de Duitse schuld aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet verminderd. De Sovjetunie nam de oorlog van andere volken op de koop toe om haar deel van de buit te krijgen. Het initiatief tot de oorlog ging echter van Duitsland uit, niet van de Sovjetunie.

Het was Hitler, die tot geweld overging. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog blijft met de naam van Duitsland verbonden.

Het was Hitler, die tot geweld overging. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog blijft met de naam van Duitsland verbonden.

Tijdens de oorlog heeft het nationaal-socialistische regime vele volken gekweld en geschonden. Aan het eind bleef nog slechts één volk over om gekweld, geknecht en geschonden te worden: het eigen, het Duitse volk. Steeds weer heeft Hitler het uitgesproken: als het Duitse volk toch niet in staat zou zijn deze oorlog te winnen, moest het maar ten onder gaan. De andere volken werden eerst het slachtoffer van een door Duitsland veroorzaakte oorlog, voordat wij zelf tot slachtoffer van onze eigen oorlog werden. Daarna volgde de verdeling van Duitsland in verschillende zones, zoals die door de overwinnende mogendheden was overeengekomen. Intussen was de Sovjetunie binnengetrokken in alle landen van Oost- en Zuidoost-Europa die tijdens de oorlog door Duitsland waren bezet. Met uitzondering van Griekenland werden al deze landen socialistische staten.

De verdeling van Europa in twee verschillende politieke systemen nam zijn loop en werd pas door de naoorlogse ontwikkeling bevestigd. Maar zonder de door Hitler begonnen oorlog zou deze deling er niet zijn geweest. Daar denken de betrokken volken in de eerste plaats aan, zodra zij zich de oorlog herinneren, die door de Duitse leiders is veroorzaakt. Wanneer wij de verdeling van ons eigen land in ogenschouw nemen, alsook het verlies van grote delen van het Duitse grondgebied, denken ook wij daaraan. In zijn preek ter gelegenheid van de achtste mei zei kardinaal Meissner in Oost-Berlijn: ‘Het troosteloze gevolg van de zonde is altijd de scheiding’.

V

De willekeur van de verwoesting werkte na in de willekeurige verdeling van de lasten. Er waren onschuldigen die werden vervolgd, en schuldigen die ontkwamen. Sommigen hadden het geluk in de vertrouwde omgeving thuis een nieuw leven te kunnen beginnen, terwijl anderen uit het aloude geboorteland werden verdreven.

Wij, in de latere Bondsrepubliek Duitsland, kregen de kostbare kans van de vrijheid. Aan vele miljoenen landgenoten blijft zij tot nu toe onthouden.

Wij, in de latere Bondsrepubliek Duitsland, kregen de kostbare kans van de vrijheid. Aan vele miljoenen landgenoten blijft zij tot nu toe onthouden. Het leren dragen van de willekeur waarmee de verschillende lotsbestemmingen werden toebedeeld, was de eerste opdracht die zich in geestelijke zin aftekende, naast de taak van de materiële wederopbouw. Deze opdracht moest de toetssteen worden van het menselijke vermogen om de lasten van anderen te zien en die bij voortduring mee te helpen dragen, die niet te vergeten. In deze opdracht moesten het vermogen tot vrede en de bereidheid tot verzoening groeien, naar binnen en naar buiten, die niet alleen anderen van ons verlangden, maar waarnaar wijzelf het allermeest verlangden.

Wij kunnen de achtste mei niet herdenken zonder onszelf ervan te doordringen welk een zelfoverwinning het de vroegere vijanden moet hebben gekost om bereid te zijn tot verzoening. Kunnen wij ons echt in de toestand verplaatsen van de familieleden van de slachtoffers van het Warschause getto of van de massamoord in Lidicef?

Maar hoe zwaar moest het ook een inwoner van Rotterdam of Londen vallen de wederopbouw van ons land te steunen, waaruit de bommen afkomstig waren die pas kort daarvoor op zijn stad waren gevallen. Daarvoor moest geleidelijk een zekerheid groeien dat de Duitsers niet nog eens zouden trachten een nederlaag met geweld te corrigeren.

Foto: ANP

Een straatbeeld van de puinhopen in Rotterdam na het bombardement van mei 1940. Foto: ANP

In ons eigen land werd het zwaarste offer gevraagd van hen die uit hun geboorteland waren verdreven. Zij hebben nog lang na de achtste mei bitter leed en zwaar onrecht moeten ondervinden. Om hun zware lot met begrip tegemoet te kunnen treden, ontbreekt ons, die op het grondgebied van de huidige Bondsrepubliek zijn geboren, vaak de fantasie en ook het ontvankelijke hart. Maar er vielen ook aanstonds bijzondere tekenen waar te nemen van bereidheid tot hulp. Vele miljoenen vluchtelingen en ontheemden werden opgenomen. In de loop van de jaren konden zij opnieuw aarden. Hun kinderen en kleinkinderen bleven op velerlei wijze verbonden met de cultuur en de liefde voor de geboortegrond van hun voorouders. En dat is goed zo, want het vormt in hun leven een kostbare schat. Zij hebben zelf echter een nieuw tehuis gevonden, waarin zij samen met hun in de Bondsrepubliek geboren leeftijdgenoten opgroeien en naar elkaar toegroeien, hun tongval spreken en hun gewoonten delen. Hun jonge leven is een bewijs van het vermogen tot innerlijke vrede. Hun grootouders of ouders werden eens verdreven, zij echter zijn nu thuis. Al spoedig hebben de ontheemden uitgesproken dat geweld geen oplossing biedt. Zij gaven daarmee een voorbeeld. Dat was geen loze verklaring in het beginstadium van de machteloosheid, maar een belijdenis die haar geldigheid behoudt. Afzien van geweld betekent: overal het vertrouwen te laten groeien dat ook een weer krachtig geworden Duitsland daaraan gebonden blijft. De eigen geboortegrond is intussen anderen tot vaderland geworden. Op vele oude kerkhoven in het Oosten bevinden zich thans reeds meer Poolse dan Duitse graven.

De volkeren van Europa hebben hun vaderland lief. Voor Duitsers is het niet anders.

Na de gedwongen trektocht van miljoenen Duitsers naar het Westen volgden miljoenen Polen en na hen weer miljoenen Russen. Allen mensen aan wie niets werd gevraagd, mensen die onrecht hebben geleden, mensen die tot weerloze objecten werden van de politieke gebeurtenissen, en aan wie geen afweging van onrecht en geen confrontatie van aanspraken weer goed kunnen maken wat hun is aangedaan.

Afzien van geweld betekent thans: de mensen daar waar het lot hen de achtste mei heeft gebracht en waar zij nu sinds tientallen jaren wonen, een duurzame, politiek onbedreigde zekerheid voor hun toekomst te verschaffen. De opdracht luidt: de tegenstrijdige aanspraken moeten ondergeschikt worden gemaakt aan het gebod om tot een vergelijk te komen. Daarin ligt de eigenlijke, de menselijke bijdrage tot een Europese vredesregeling, waartoe wij het initiatief kunnen nemen.

Het nieuwe tijdperk in Europa na 1945 heeft voor de denkbeelden over vrede en zelfbeschikking overwinningen en nederlagen gebracht. Voor ons geldt dat wij de kans moeten aangrijpen een streep te zetten onder een lange periode van de Europese geschiedenis, de periode namelijk waarin voor elk land de vrede slechts denkbaar en verzekerd leek als gevolg van eigen superioriteit en waarin de vrede een tijd van voorbereiding betekende op de volgende oorlog. De volkeren van Europa hebben hun vaderland lief. Voor Duitsers is het niet anders. Wie zou op de vredelievendheid van een volk vertrouwen dat in staat is het eigen vaderland te vergeten? Nee, vredelievendheid blijkt juist daaruit dat men zijn vaderland niet vergeet en juist daarom vastbesloten is alles te doen om steeds in vrede met elkaar te leven. Vaderlandsliefde van een ontheemde is geen revanchisme.

VI

Sterker dan vroeger heeft de laatste oorlog het verlangen naar vrede in de harten van de mensen gewekt. Het verzoeningswerk van de kerken vond een diepe weerklank. Van het werk van jonge mensen voor het aankweken van wederzijds begrip zijn goede voorbeelden te noemen. Ik denk aan de actie ‘Sühnezeichen’ (teken van verzoening) met haar werk in Auschwitz en Israël. De Nederrijnse stad Kleef ontving onlangs brood uit Poolse gemeenten als teken van verzoening en gemeenschap. Een van deze broden heeft Kleef aan een leraar in Engeland gezonden. Want hij was uit de anonimiteit getreden en had geschreven dat hij destijds in de oorlog als piloot van een bommenwerper kerken en woonhuizen in Kleef had verwoest en graag een teken van verzoening wilde.

Het draagt oneindig veel tot de vrede bij, niet te wachten tot de ander komt, maar naar hem toe te gaan, zoals deze man dat heeft gedaan.

VII

Een van de gevolgen van de oorlog is geweest dat oude tegenstanders in menselijk en ook in politiek opzicht dichter bij elkaar zijn gebracht. Al in 1946 riep de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Bymes in zijn gedenkwaardige rede te Stuttgart op tot toenadering in Europa en tot steun aan het Duitse volk op zijn weg naar een vrije en vredelievende toekomst. Talloze Amerikaanse burgers hebben destijds uit eigen middelen ons, Duitsers, de overwonnenen, gesteund om de wonden van de oorlog te helen. Dank zij de vooruitziende blik van Fransen als Jean Monnet en Robert Schuman en Duitsers als Konrad Adenauer eindigde voorgoed de oude vijandschap tussen Fransen en Duitsers.

Foto: EPA

De West-Duitse minister van Buitenlandse Zaken Schröder, bondskanselier Adenauer, de Franse president De Gaulle, premier Pompidou en de Franse minister van Buitenlandse Zaken De Murville tekenden in 1963 in Parijs het Élysée-verdrag, dat de vriendschap en samenwerking tussen Frankrijk en West-Duitsland moest bezegelen. Foto: EPA

Een nieuwe stroom van de wil om opnieuw te beginnen en van energie ging door ons eigen land. Vele oude twisten werden bijgelegd, confessionele tegenstellingen en sociale spanningen verloren hun scherpte. Gezamenlijk ging men aan het werk. Er was geen ‘uur nul’, maar wij kregen de kans om opnieuw te beginnen. Wij hebben die gebruikt zo goed als wij konden. Voor onvrijheid hebben wij de democratische vrijheid in de plaats gesteld. Vier jaar na het einde van de oorlog, op 8 mei 1949, aanvaardde de Parlementaire Raad onze grondwet. Over de partijgrenzen heen gaven de democraten van de Raad het antwoord op oorlog en tirannie in artikel 1 van onze Constitutie:

‘Het Duitse volk belijdt dat de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens de grondslag vormen van elke gemeenschap van mensen, van de vrede en van de gerechtigheid in de wereld.’

Ook aan deze betekenis van de achtste mei moet vandaag worden herinnerd. De Bondsrepubliek Duitsland is een staat geworden die over de gehele wereld wordt gerespecteerd. Zij behoort tot de sterk ontwikkelde industriële landen in de wereld. Met haar economisch vermogen weet zij zich medeverantwoordelijk voor het bestrijden van de honger en de nood in de wereld en voor het bevorderen van een sociaal evenwicht onder de volken. Wij leven sinds veertig jaar in vrede en vrijheid en wij hebben door onze politiek onder de vrije volken van het Atlantische Bondgenootschap en van de Europese Gemeenschap daartoe zelf een grote bijdrage geleverd.

Nog nooit is er op Duitse grond een betere bescherming van de vrijheden van de burgers geweest dan thans. Een hecht sociaal netwerk, dat de vergelijking met elke andere maatschappij niet uit de weg hoeft te gaan, verzekert de basis van het bestaan voor de mensen. Waren er aan het einde van de oorlog nog vele Duitsers die hun best deden om hun paspoort te verbergen of te ruilen voor een ander, nu is het Duitse staatsburgerschap een recht dat in aanzien staat.

Wij hebben waarlijk geen reden tot aanmatiging en eigendunk, maar wel mogen wij ons de ontwikkeling in deze veertig jaar met dankbaarheid herinneren. Wanneer wij de herdenking van onze eigen geschiedenis als richtlijn gebruiken voor onze houding in de tegenwoordige tijd en voor de onopgeloste problemen die ons wachten.

Nog nooit is er op Duitse grond een betere bescherming van de vrijheden van de burgers geweest dan thans.

- Als wij ons herinneren dat geesteszieken in het Derde Rijk werden gedood, zullen wij de toewijding aan psychisch zieke burgers opvatten als een eigen opdracht.
- Als wij ons herinneren, hoe zij die op grond van ras, godsdienstige of politieke overtuiging werden vervolgd en door een zekere dood bedreigd, vaak voor de gesloten grenzen stonden van andere landen, zullen wij de deur niet sluiten voor degenen die thans werkelijk aan vervolging blootstaan en bij ons bescherming zoeken,
- Als wij ons de vervolging herinneren van de vrije geest tijdens de dictatuur, zullen wij de vrijheid van elke gedachte en van elke kritiek beschermen, hoezeer die zich ook tegen onszelf kan richten.
- Wie over de toestand in het Nabije Oosten oordeelt, behoort aan het lot te denken dat Duitsers de joodse medemensen hebben doen ondergaan en hij dient ook te beseffen dat de stichting van de staat Israël tot stand kwam onder voorwaarden die ook thans nog een belasting vormen voor de mensen in dit gebied.
- Als wij eraan denken wat onze oostelijke buren in de oorlog hebben moeten lijden, zullen wij beter begrijpen dat de verzoening, de ontspanning en de vreedzame nabuurschap met deze landen de voornaamste taak van de Duitse buitenlandse politiek blijven. Beide partijen dienen zich het verleden te herinneren en elkaar te respecteren. Zij hebben menselijk, cultureel en ten slotte ook historisch gezien, daar alle reden toe.

De secretaris-generaal van de Communistische Partij in de Sovjetunie, Michael Gorbatsjov, heeft gezegd dat het er bij de veertigjarige herdenking van het einde van de oorlog de Sovjet-leiding niet om gaat anti-Duitse gevoelens aan te wakkeren. De Sovjetunie, zei hij, spant zich in voor vriendschap tussen de volken.
Juist nu wij vragen hebben, ook over de Sovjetrussische bijdrage tot de toenadering tussen Oost en West en tot de eerbiediging van de rechten van de mens in alle delen van Europa, mogen wij dit teken uit Moskou niet negeren. Wij willen vriendschap met de volkeren van de Sovjetunie.

VIII

Veertig jaar na het einde van de oorlog is het Duitse volk nog altijd in tweeën gedeeld.

Veertig jaar na het einde van de oorlog is het Duitse volk nog altijd in tweeën gedeeld. Tijdens de herdenkingsdienst in de ‘Kreuzkirche’ in Dresden zei bisschop Hempel in februari van dit jaar: ‘Het blijft een zware last en een bloedende wonde dat er twee Duitse staten zijn ontstaan met hun moeilijke grenzen. De veelheid van grenzen drukt immers zwaar en doet tot bloedens toe pijn — zwaar drukt de last der wapens.’ Onlangs werd in Baltimore in de Verenigde Staten een tentoonstelling: ‘Joden in Duitsland’ geopend. De ambassadeurs van de beide Duitse staten hadden gevolg gegeven aan de uitnodiging. De voorzitter van de John Hopkins University, die als gastheer optrad, begroette hen gezamenlijk. Hij wees erop dat alle Duitsers dezelfde historische ontwikkeling als basis hebben. De band van een gemeenschappelijk verleden bindt hen. Zo’n band kan een vreugde of een probleem zijn, maar vormt altijd een bron van hoop.

Wij Duitsers zijn één volk en één natie. Wij hebben een gevoel van saamhorigheid, doordat wij dezelfde geschiedenis hebben doorgemaakt.

Ook de achtste mei 1945 hebben wij als een gemeenschappelijk lot ervaren van ons volk dat ons verenigt. Wij voelen ons in onze wil tot vrede bij elkaar horen. Van Duitse grond in beide staten moeten vrede en goede nabuurschap met alle landen uitgaan. Ook anderen moeten deze grond niet tot een gevaar voor de vrede laten worden.

De mensen in Duitsland willen gemeenschappelijk een vrede die gerechtigheid inhoudt en mensenrechten waarborgt voor alle volken, ook voor het onze. Niet een Europa van de muren kan zich over de grenzen heen verzoenen, maar een continent dat zijn grenzen ontdoet van datgene wat scheiding teweegbrengt. Juist op dit punt vermaant ons het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Wij hebben het vaste vertrouwen dat de achtste mei 1945 niet de laatste datum zal zijn in onze geschiedenis die voor alle Duitsers bindend is.

Foto: EPA

Richard von Weizsäcker (links) toont als burgemeester van West-Berlijn in 1983 de Berlijnse Muur aan de Amerikaanse vicepresident George Bush (midden) en Bondskanselier Helmut Kohl (rechts). Foto: EPA

IX

Vele jonge mensen hebben zichzelf en ook ons in de afgelopen maanden gevraagd waarom het veertig jaar na het einde van de oorlog tot zulke levendige discussies over het verleden is gekomen. Waarom levendiger dan na vijfentwintig of dertig jaar? Waarin ligt de innerlijke noodzaak daartoe?
Het is niet eenvoudig zulke vragen te beantwoorden. Maar wij moeten de oorzaken niet hoofdzakelijk in invoeden van buitenaf zoeken, hoewel die er ongetwijfeld ook zijn geweest.

Veertig jaren spelen in het tijdsbestek van mensenlevens en lotsbestemmingen van volkeren een grote rol. Staat u mij ook hier nog eenmaal een blik toe op het Oude Testament, dat voor ieder mens, ongeacht zijn overtuiging, diepzinnige gedachten bevat. Daarin spelen perioden van veertig jaar een vaak terugkerende, wezenlijke rol.

Veertig jaar moest Israël in de woestijn blijven, voordat het nieuwe hoofdstuk in de geschiedenis begon met de intocht in het Beloofde Land. Veertig jaar waren nodig voor een volledige aflossing van de toen verantwoordelijke generatie der vaderen.

De jongeren zijn niet verantwoordelijk voor wat er vroeger is gebeurd. Maar zij zijn wel verantwoordelijk voor dat wat daaruit in de geschiedenis voortvloeit.

Op een andere plaats (in het boek Richteren) wordt echter opgetekend hoe vaak de herinnering aan ondervonden hulp en redding slechts veertig jaar duurde. Als de herinnering afbrak, was het met de rust gedaan. Zo betekent een periode van veertig jaar steeds een caesuur. Zij beïnvloedt het bewustzijn van de mensen, hetzij als einde van een donkere tijd met het vaste vertrouwen op een nieuwe en goede toekomst, hetzij als gevaar van het vergeten en als waarschuwing voor de gevolgen. Over beide is het de moeite waard na te denken,

Bij ons is geleidelijk een nieuwe generatie gegroeid in het dragen van politieke verantwoordelijkheid. De jongeren zijn niet verantwoordelijk voor wat er vroeger is gebeurd. Maar zij zijn wel verantwoordelijk voor dat wat daaruit in de geschiedenis voortvloeit. Wij ouderen zijn de jongeren niet de vervulling van dromen verschuldigd, maar oprechtheid. Wij moeten de jongeren helpen te begrijpen waarom het van levensbelang is de herinnering levend te houden. Wij willen hen helpen zich nuchter en zonder eenzijdigheid met de historische waarheid bezig te houden, zonder te vluchten in utopische heilsverwachtingen, maar ook zonder zedelijke aanmatiging.

Wij leren uit onze eigen geschiedenis waartoe de mens in staat is. Daarom moeten wij ons niet inbeelden dat wij nu als mens anders en beter zouden zijn geworden. Er bestaat geen definitief verworven zedelijke volmaaktheid — voor niemand, in geen enkel land. Wij hebben als mensen geleerd en wij blijven als mensen bedreigd, maar wij bezitten de kracht bedreigingen altijd weer te boven te komen.

Hitler heeft altijd gewerkt met het aanwakkeren van vooroordelen, vijandschap en haat. Wij vragen onze jonge mensen: Laat u niet aanzetten tot vijandschap en haat tegen andere mensen, tegen Russen of Amerikanen, tegen joden of Turken, tegen alternatieven of conservatieven, tegen zwart of blank. Leert met elkaar te leven, niet tegen elkaar. Laat u ook ons, als democratisch gekozen politici, dat steeds weer ter harte nemen en een voorbeeld geven. Eren wij de vrijheid. Werken wij voor de vrede. Houden wij ons aan het recht.

Dienen wij onze innerlijke maatstaven der gerechtigheid. Zien wij op deze achtste mei de waarheid onder ogen zo goed als wij het kunnen.

Foto: AP

Richard von Weizsäcker bij de beëdiging voor zijn tweede termijn in 1989. Foto: AP