Afrikaanse leiders willen einde zaken Strafhof tegen Bashir, Ruto

De gebouwen van ICC en Eurojust. Foto ANP / Valerie Kuypers

Afrikaanse leiders willen dat de zaken bij het Internationaal Strafhof tegen Omar al-Bashir, de president van Soedan, en de Keniaanse vicepresident William Ruto worden stopgezet. Ze roepen in een gezamenlijke verklaring op de rechtszaken op zijn minst tijdelijk op te schorten.

De leiders willen dat het Strafhof in Den Haag eerst Afrikaanse zorgen over het functioneren van het hof bekijkt en voorstellen voor een verandering van het oprichtingsverdrag in overweging neemt, meldt persbureau AP. De Afrikaanse Unie, het politieke statenverband van Afrikaanse landen, klaagde al eerder dat het Strafhof op disproportionele wijze Afrikanen vervolgt.

Acht zaken, acht Afrikanen

De klacht komt niet uit het niets. Tot nu toe heeft het Strafhof volgens AP alleen zaken geopend tegen Afrikanen, al is het wel zo dat de helft van de acht zaken die nu spelen er kwam op initiatief van Afrikaanse regeringen.

Tegen Bashir is een arrestatiebevel uitgevaardigd vanwege beschuldigingen van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Ruto wordt beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid.

Twee veroordelingen

Het permanente Internationaal Strafhof (International Criminal Court, ook wel ICC) berecht sinds 2002 oorlogsmisdaden en ernstige mensenrechtenschendingen. Het hof komt in actie wanneer de nationale rechtspraak daarin niet kan of wil voorzien. Naast het ICC zijn er de tijdelijke instellingen, zoals de tribunalen voor Joegoslavië of Rwanda.

Het Strafhof heeft nu twee veroordelingen achter de rug; tegen de Congolese krijgsheren Lubanga en Katanga. Veel zaken liepen echter ook mis, bijvoorbeeld doordat getuigen niet betrouwbaar bleken of geïntimideerd werden.

Een recent voorbeeld is de zaak tegen president Uhura Kenyatta van Kenia. Hij was aangeklaagd, maar kon niet langer worden vervolgd voor misdaden tegen de menselijkheid. De betrokkenheid van Kenyatta bij verkiezingsgeweld in 2007 kon volgens aanklager Fatou Bensouda niet worden aangetoond. Bensouda beweerde dat zij door de Keniaanse overheid is tegengewerkt bij haar onderzoek. Er waren signalen van getuigenintimidatie.