Zie de mens: trots, bescheiden, agressief, liefhebbend, boos, corrupt...

Het bestaan is simpeler dan we dachten, schrijft de beroemde bioloog Ed Wilson in zijn nieuwste boek. „Er is geen voorbestemming, geen ongrijpbaar levensmysterie. Demonen en goden strijden niet om onze trouw.” Wij mensen zijn gewoon een van de biologische soorten op de wereld. Het is een bekende boodschap van biologen, maar slechts weinigen zijn in staat om het zo welsprekend en diepgaand duidelijk te maken als de oude rot Wilson (1929), gevierd mierenkenner en schrijver van baanbrekende boeken als Sociobiology (1975), On Human Nature (1979) en Consilience (1998). Wilsons kracht is dat hij zeer goed schrijft, uitstekend op de hoogte is en zelden overdrijft in zijn ‘biologisme’. Zijn lof voor en interesse in geesteswetenschappen zijn zelfs opvallend. Volgens hem zijn de geesteswetenschappen zelfs het enige kenmerk van de mens waarin buitenaardse wezens echt in geïnteresseerd zullen zijn. Die natuurwetenschappen kennen ze echt wel, als ze lichtjaren ver door het heelal gereisd hebben.

Geesteswetenschappen zijn nodig om alle complexe gevoelens en constructies van de menselijke geest te interpreteren. Alleen, Wilson vindt het wel erg jammer dat de geesteswetenschappers zo weinig weten van de bredere achtergrond van de mens.

En vooral daarover gaat deze essaybundel van Wilson (al beschrijft hij ook uitvoerig hoe buitenaardse wezens eruit kunnen zien en over hoe beperkt wij mensen waarnemen: alle chemische communicatie ontgaat ons). Kernpunt is dat wij mensen een van de maar twintig diergroepen zijn die een intense sociale samenwerking hebben (eusocialiteit). De andere groepen zijn vooral insecten (bijen, mieren, termieten), een paar garnaalsoorten en als enige andere zoogdieren twee soorten molrat. Wilson legt vrij uitvoerig uit hoe die menselijke eusocialiteit volgens hem tot stand kwam, door een toevallige stapeling van evolutionaire aanpassingen. Het gevolg: „onze geest is een plattegrond van anderen”. Mensen zoeken altijd andere mensen op.

Bij de verklaring ervan komt een belangrijk en omstreden idee van Wilson van pas. Want de mens is volgens hem niet alleen gevormd door individuele selectie – zoals alle niet-sociale dieren – maar ook door groepsselectie: de motor van eusocialiteit. Het zijn de enige passages waarin de oude, hoffelijke bioloog een beetje giftig wordt, in zijn tirade tegen aanhangers van een concurrerende theorie, waarin alleen samenwerking met verwanten evolutionair nuttig is.

Aan deze dubbele selectie op het mensengeslacht hebben wij mensen ten diepste onze verwarring en tegenstrijdigheid te danken, schrijft Wilson. Wij zijn zondaar en egoïst door onze individuele zoogdierenmentaliteit. En we zijn heilige en altruïst door onze bijzondere vorm van samenleving, vol naastenhulp. „Het is niet de aanwezigheid van goed en kwaad die elkaar in onze borstkas aan het bevechten zijn”, aldus Wilson. Het is de essentie van onze biologie en creativiteit. De tegengestelde selectiekrachten „creëerden een geest die constant en caleidoscopisch van gemoedstoestand verandert – variërend van trots, agressief, competitief, boos, wraakzuchtig, corrupt, verraderlijk, nieuwsgierig, avontuurlijk, tribaal, dapper, bescheiden, patriottisch, empathisch en liefhebbend.” Het is onze paleolithische zegen én vloek: door onze eusocialiteit helpen we moeiteloos de zwakkeren maar wij zijn daarom ook verslaafd aan tribale conflicten.

Een andere bron van geestelijke verwarring is dat de mens alleen maar kan functioneren door voortdurend verhalen te maken. Het is de enige manier om de enorme golf van informatie die een mens binnenkrijgt te ordenen.

    • Hendrik Spiering