Wereldberoemd in België (en een beetje in Nederland)

Ze heten Wout Van Aert (Belg) en Matthieu van der Poel (Nederlander). Morgen rijden ze een klassieke België-Nederland, in de Tsjechische blubber bij Tábor. Net als in de jaren tachtig.

De 20-jarige Belg Wout Van Aert is naast Nederlander Mathieu van der Poel nu al topfavoriet voor de wereldtitel veldrijden. Foto Belga

Een paar crossfietsen achterop zijn Mercedes, rijbewijs in zijn zak en dieselolie in de tank. Zo tuft Hennie Stamsnijder in de jaren 80 richting Zwitserland, in die jaren het walhalla voor veldrijders. Op de glibberige Zwitserse bospaadjes worden slopende topwedstrijden gereden. Stamsnijder moet voorin eindigen, hij heeft het prijzengeld hard nodig voor de brandstof voor de terugweg naar Nederland. „Anders moest ik daar een week blijven voor de volgende wedstrijd”, zegt hij nu.

Hennie Stamsnijder (60), boerenzoon uit het Twentse Enter. Een crossheld uit een ver verleden: hij is de wereldkampioen van 1981. Zijn grote rivaal in die jaren is een Belg met een rollende naam, Roland Liboton (57). Levende legende in zijn thuisland. Hun tweestrijd trekt op goede dagen tienduizenden toeschouwers. „Hennie en ik waren voor de wedstrijd vrienden, in de koers grote vijanden en daarna nog betere vrienden”, vertelt Liboton per telefoon.

Oude tijden herleven in het veldrijden. Zondagmiddag wacht een klassieke België-Nederland in de Tsjechische blubber bij de wereldkampioenschappen in Tábor. Was het drie decennia geleden Liboton vs. Stamsnijder, nu is het de Belg Wout Van Aert tegen de Nederlander Mathieu van der Poel. Twintig zijn ze, en nu al topfavoriet voor de wereldtitel.

„Liboton en ik dwongen elkaar tot het uiterste”, zegt Stamsnijder. „Bij Mathieu en Wout zie je nu hetzelfde. Zo’n gevecht in de modder haalt het beste in je naar boven. Het is man tegen man, zonder tactisch ploegenspel zoals op de weg. Het is pure, heroïsche strijd.”

Een gevecht dat het beste in je naar boven haalt

Liboton herkent zich in de twee jonge crossers. „Abnormale talenten”, zegt de Vlaming, die vijf keer wereldkampioen werd. „Elke dertig jaar wordt er zo’n groot talent geboren”, lacht hij – want ja, zelf was hij ook zo’n talent. „Ik was een mengeling tussen het technische rijden van Mathieu en het zware crossen van Wout met zijn vele pk’s. Het is magnifiek om hen te zien rijden.”

Liboton – werkzaam voor de Belgische wielerunie – is er zondag bij in Tábor. Klaar om zijn jonge landgenoot Van Aert in actie te zien. „Hij kan rammen op zijn fiets zonder omhoog te kijken. Heel België ligt aan zijn voeten.” Ook Stamsnijder – bij wielerploeg Shimano verantwoordelijk voor de sponsoring – staat in Tsjechië langs het parcours. Hij zal extra op Van der Poel letten. „Hij is lang en slank. En er zit een geweldige kop op. De wil om te winnen is erg groot.”

Zo jong en al zo goed. Brak Liboton ook zo vroeg door? Trots klinkt door de telefoon: op zijn twintigste is hij al wereldkampioen – bij de amateurs weliswaar. Twee jaar later volgt de wereldtitel bij de profs. „Ik was op jonge leeftijd al goed. Wij Belgen waren in opkomst, maar Zwitserland was het te kloppen land. Ik heb de Zwitsers regelmatig op hun donder gegeven.”

Stamsnijder is bescheidener. Zijn internationale doorbraak is op zijn 26ste, als hij als eerste Nederlander wereldkampioen veldrijden wordt. Het resultaat van zijn wekelijkse wedstrijden in Zwitserland. „Op mijn twintigste konden ze mij in Nederland niet veel meer leren”, zegt hij. „Topcrossen was hier vergelijkbaar met het niveau van de clubcompetitie. Toen ben ik in Zwitserland gaan rijden.”

Daar gaat een ingrijpende beslissing aan vooraf. Hij zegt zijn baan bij de Belastingdienst op omdat hij vol voor zijn crosscarrière wil gaan. Zijn vader is het er niet mee eens. Een zeker bestaan met inkomen geef je niet zomaar op, vindt pa. Stamsnijder blijft thuis wonen om de kosten te drukken – hij krijgt eten, drinken en een slaapplek. Op zijn 26ste trouwt hij en gaat hij samenwonen.

Grote, luxueuze campers

Het is een andere tijd. Het veldrijden is nog semiprofessioneel. Grote, luxueuze campers waarin de crossers zich nu laten vervoeren, zijn niet te zien. Voor de wedstrijd kleden renners zich gezamenlijk om in de kleedkamer, na afloop wordt er samen gedoucht. Een enkeling heeft een coach. Veiligheid langs het crossparcours heeft amper aandacht. Rasverteller Jean Nelissen (1936-2010) geeft smeuïg commentaar op de Nederlandse televisie. Parcoursen liggen er af en toe besneeuwd en bevroren bij door de strenge winters – het is de tijd dat de Elfstedentocht regelmatig wordt gereden.

Anno 2015 is het veldrijden geprofessionaliseerd. Commerciële ploegen ontdekten de sport. De absolute top verdient inmiddels jaarsalarissen tegen de half miljoen euro. Maar de tragiek van het veldrijden is dat het maar niet wil uitgroeien tot een mondiale sport. Een bijnummer naast het wegrennen, zo wordt het door velen nog altijd gezien.

„Wereldberoemd in België en een beetje in Nederland. Daar moet je het mee doen”, zegt Stamsnijder. Het is vergelijkbaar met de discussie in het langebaanschaatsen, waar ook een gebrek aan internationale concurrentie en aandacht is. Zicht op snelle verbetering is er niet in het veldrijden. Wel worden volgend jaar voor het eerst wereldbekerwedstrijden in Noord-Amerika gereden, in Las Vegas en Montreal. De hoop van de internationale wielerunie UCI is dat zo de lokale markt wordt veroverd.

De verwachting is dat Van der Poel en Van Aert de komende jaren het veldrijden gaan domineren. Goed nieuws voor de sport: twee frisse, uit de kluiten gewassen jongens die mediageniek zijn. Dat helpt.

En Nederland kan na jarenlange afwezigheid eindelijk weer eens serieus concurreren met de tot voor kort zo oppermachtige Belgen. „Nederland staat klaar om de fakkel over te nemen”, zegt Liboton bemoedigend.

En dan zijn er nog David (22), Lars (23) en Corné (23)

Nederland heeft een ijzersterke generatie jonge crossers met naast Mathieu van der Poel ook zijn broer David (22), Lars van der Haar (23) en Corné van Kessel (23). Zij werken als een katalysator voor de jeugd, merkt Gerben de Knegt, talentcoach bij de Nederlandse wielerunie.

Na tien jaar stilstand groeit de populariteit van het veldrijden in Nederland. Bij de nationale trainingspunten in het land is het steeds drukker met jeugdrenners uit de verschillende leeftijdscategorieën, zegt De Knegt. „Met tientallen tegelijk melden ze zich aan. Soms sta ik met tachtig man op de training, vier jaar geleden waren het er nog twintig.”

Jeugdrenners zien nu in dat ze goed kunnen verdienen in het veldrijden, zegt hij. Lang heerste het idee dat de verdiensten niet in verhouding stonden tot die bij het wegrennen. „Ik spreek nu veel jeugd die specifiek kiest voor het crossen.”

Stamsnijder hoopt op een bloeiperiode. „Als er een moment is om het veldrijden in Nederland naar een hoger niveau te tillen, is het nu.”

    • Steven Verseput