Onderzoek hoe slechtziende mensen fietsen

Wat wilde je later worden? Je antwoordde vast nooit: Promovendus Safe Cycling. Er is een vacature voor.

Bedrijf:

Rijksuniversiteit Groningen.

Opvallend:

Je doet onderzoek naar slechtziende fietsers – dat is nog nooit gedaan.

Wat ga je dan doen?

De vraag of en hoe je als slechtziende veilig aan het verkeer kan deelnemen: dat is wat de afdeling klinische neuropsychologie van de Rijksuniversiteit Groningen onderzoekt. Als promovendus Safe Cycling moet je dan ook met zowel slechtzienden als met verkeer enige affectie hebben.

Onderzoek naar visueel beperkte automobilisten is net afgerond, maar betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek naar slechtziende fietsers bestaat nog niet.

In drie jaar onderzoek jij wat iemand moet kunnen zien om veilig aan het verkeer deel te nemen als fietser. Al een grote groep slechtzienden heeft zich aangemeld als proefpersoon en jij gaat met camera’s bij hen langs. Die camera’s maak je vast aan hun eigen fiets en na een paar weken kijk je wat er geregistreerd is en analyseer je die gegevens: hoeveel afstand er is afgelegd, op welk moment op de dag, hoeveel afstand houdt de fietser tot de berm, wordt er geslingerd? Daarnaast hou je uitgebreide enquêtes onder slechtzienden, oogartsen en hulpverleners en schrijf je wetenschappelijke artikelen. En niet te vergeten: na drie jaar ben je hopelijk gepromoveerd.

Waarom zoeken ze iemand?

Na onderzoek naar slechtzienden in de auto, was het nu de beurt aan de fiets.

Wat verdient dat?

Tussen de 2.125 en 2.593 bruto per maand.

Wat voor collega moet je zijn?

Volgens universitair docent en neuropsycholoog Joost Heutink kom je terecht in een warme groep. Op de afdeling werken zo’n dertig mensen. Het is belangrijk dat je een sociaal persoon bent met interesse in de doelgroep.

Waarom wil je hier wel/niet werken?

Deze functie gaat over het observeren van menselijk gedrag in de praktijk. Je zit dus niet in een laboratorium. Maar dat betekent ook dat je dingen niet over kunt doen. Heutink: „Er is geen herkansing. In het lab zeg je: dat ging niet goed, volgende week pas ik mijn experiment aan en begin ik opnieuw. Dat kan hier niet.”

    • Sophie Frankenmolen