Opinie

    • Sjoerd de Jong

Media zijn een magneet voor verwarde geesten – en het ik

Media die over media berichten – en hoe. Deze week kreeg u er drie voorbeelden van. Er was de actie van de 19-jarige student Tarik Z. in het Mediapark, die leidde tot een verbijsterend, uurlang ‘Even geduld a.u.b’. Op de woensdag ervoor belichtte mediaredacteur Peter Zantingh in NRC Handelsblad de „trend” naar ‘ik-journalistiek’ die hij waarnam. En de week begon met een opiniestuk (Wilders heeft gelijk, maar krijgt het niet, 26 januari), dat zelf nieuws werd en waar honderden lezers op reageerden. In de ‘mediasamenleving’ spelen media over media steeds vaker een rol, of zelfs de hoofdrol.

Eerst het incident op het Mediapark.

Was dit nationaal nieuws? Daar was volop discussie over op de redactie. Hoeveel aandacht moeten we geven aan een verwarde jongen die korte tijd met een neppistool zwaaide in een tv-studio? Aan de andere kant, het gaat om de nationale omroep, kort na de aanslag op Charlie Hebdo, en vooral: het voorval roept dringende vragen op over de kwetsbaarheid van de NOS, die altijd moet kunnen dienen als landelijke rampenzender.

Dat laatste is het echte punt. Al heeft het incident ook andere, tragikomische aspecten. Het deed denken aan de gijzelingsactie in de Rembrandttoren in 2002 door de 59-jarige buschauffeur John R., uit protest tegen breedbeeld-tv (die „geheimzinnige boodschappen” uitzond). Maar hij had echte wapens en schoot zichzelf door het hoofd. NRC Handelsblad bracht op de voorpagina toen een stevig bericht en een dag later vier stukken, waaronder een reportage (Hij zag er niet gestoord uit) en een medisch bulletin (Benadelingswaan met medicijnen te onderdrukken, 12 maart 2002).

Dit keer pakte de krant meer uit, maar de maatvoering bleef beheerst: twee pagina’s met de feiten binnenin en een nuchtere analyse van mediarecensent Hans Beerekamp voorop. Hij stipte ook de hamvraag aan, over de backup van de NOS. En dáár zou je nog wel meer feiten en uitleg over willen lezen: hoe is het nu geregeld en hoe kan het beter?

Er is ook een sociale context. Media zijn in onzekere tijden een magneet voor ontremde geesten. Toen John R. uitrukte tegen de breedbeeld-tv, verkeerde Nederland in grote opwinding over de opmars van Pim Fortuyn; nu is er angst voor terreur. En wat wilde deze student? De natie toespreken. Hij is niet de enige; een ultieme vorm van ik-journalistiek.

Over echte ‘ik-journalistiek’ schreef Peter Zantingh een stuk dat ook in het teken stond van mediamieke zelfexpressie. Het stuk was deels een gimmick, een reportage over ik-journalistiek, in de vorm van een ik-verhaal. Mét twee paginagrote foto’s van de auteur.

Die gooide alleen wel veel ikken op één hoop, van columns tot reportages in de ‘ik’-vorm. De laatste zijn allesbehalve nieuw, en al een stuk ouder dan de New Journalism van de jaren zeventig. Ook Henry Morton Stanley (‘Hoe ik Livingstone vond’, 1872) was een journalist. Zo bezien is de door internet aangejaagde ‘ik-journalistiek’ eerder een reprise van het reportagewerk en pamflettisme van de achttiende en negentiende eeuw.

Voor de lezer: het Stijlboek van de krant heeft een lemma over ‘ik-journalistiek’, waar het stuk niet naar verwees. Onder ‘ik-journalistiek’ vallen volgens dat lemma „artikelen in de eerste persoon enkelvoud waarin de journalist zichzelf in de handeling betrekt”. Dat laatste is cruciaal, want columnisten kunnen prima in de ik-vorm schrijven zonder zichzelf ook op te voeren in de handeling. Zoals journalistiek in het algemeen ook heel goed persoonlijk of geëngageerd kan zijn zonder gebruik van het woordje ‘ík’.

Wie zichzelf wél opvoert in een stuk, kan dat op twee manieren doen. Als gids om de lezer beter te laten zien hoe iets werkt en zo te informeren (zie de politieke rubriek van Tom-Jan Meeus op zaterdag) . Of als hoofdpersoon in een eigen avontuur. Dat laatste kan ook nuttig zijn – om bijzondere ervaringen voor de lezer te illustreren – maar bij die aanpak is ook de narcismevalkuil dieper; journalisten zijn er tenslotte primair om andermans ervaringen te onderzoeken.

Nog iets: het viel Zantingh op dat anno 2015 op zaterdag vijftien medewerkers met foto in de krant staan (schuldig, zie boven), tegen „precies nul” in 2000.

Pardon? Al diep in de jaren zeventig drukte NRC Handelsblad foto’s af bij columns. Vincent Mentzel herinnert zich dat het bekendste portret van J.L. Heldring – met de geamuseerde blik, vinger tegen de wang – was gemaakt door diens echtgenote, een feit waar de columnist de fotograaf graag aan herinnerde.

Zantingh heeft wel een punt, maar dan moeten we veel verder terug, naar de cultuurstrijd tussen de fusiekranten Nieuwe Rotterdamse Courant (waar de column van Heldring ongesigneerd verscheen) en het Algemeen Handelsblad, dat ook in beeld moderner was. Zie het voortreffelijke Het succes van een kwaliteitskrant van Pien van der Hoeven.

De cultuur van de Amsterdamse krant won het pleit, maar niet zonder slag of stoot. Zo kreeg politiek columnist J.J. Vis in 1969, toen de Haagse redacties al waren gefuseerd, wel een foto bij zijn column in het Handelsblad, maar niet in de NRC. Het moest niet te gek worden.

Tot slot. Zijn opiniestukken ik-stukken?

In de regel wel, ze vertolken een particulier standpunt. Nee, niet als de afzender Mark Rutte heet of een vergelijkbare publieke functionaris is. Maar voor ‘gewone’ burgers geldt: voor eigen rekening.

Ook het opzienbarende stuk dat dr. Peter van Ham van Clingendael schreef over het „gelijk” van Wilders. Hij is „verbonden” aan het instituut, stond eronder, maar dat distantieerde zich ervan en liet weten de interne regels voor medewerkers te hebben aangescherpt.

Dat moet het instituut natuurlijk zelf weten. Maar de vermelding van de werkkring van een auteur is zakelijke informatie voor de lezer, geen teken dat hij of zij spreekt ‘namens’ die werkkring.

Nu was er nogal wat aan te merken op dat stuk: er werd meer in beweerd dan onderbouwd en je zou willen weten of de auteur ook de remedies van Wilders onderschrijft. Maar met de ondertekening was niks mis. Vind ik.

    • Sjoerd de Jong