Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Bij de dierenarts

Ik was nog nooit bij een dierenarts geweest, maar nu zat ik er dan toch om half tien ’s ochtends met huiskat Duttie – een door de vriendin geadopteerde Heilige Birmaan – in een kooitje op schoot. Ik was erheen gestuurd omdat het innig geliefde dier steeds erger uit zijn bek was gaan stinken.

Om ons heen hingen posters met teksten als ‘Bekijk uw konijn eens goed’ en een oproep voor een ‘hond-en-baasjes-middag’ in het Amsterdamse Bos. Naast me zat een vrouw die voortdurend in gesprek was met haar poes. De hele tijd van die zinnetjes als: ‘Nu duurt het niet lang meer’, ‘Ach-ach-ach’ en ‘Nu ben jij bijna aan de beurt, hoor’.

Het irriteerde me, vooral omdat ik het tegenovergestelde dacht: ‘We komen hier nooit aan de beurt.’ Duttie begon ondertussen hartverscheurend te miauwen.

„Last van het gebit”, zei ik tegen de man die binnen was gekomen met twee honden, waarvan de kleinste een verknipte schipperstrui aan had waarvoor het beest uitvoerig werd gecomplimenteerd door de dierenartsassistente die net als haar baasje een witte doktersjas droeg en die zich ‘eventjes niet kon bedwingen’ om kennis te komen maken.

„Hallo”, zei ze terwijl ze snuit aan snuit bij het hondje in de schipperstrui stond, „wat heb jij een mooie trui aan.”

„Ja”, antwoordde het bijbehorende baasje, „die was vroeger van mij.”

Antwoord van de dierenartsassistente: „O, wat lief!”

Dit was dus het niveau, dacht ik.

Ik was op een plaats waar ze menselijk tekort niet eens meer probeerden te verbloemen. Integendeel, ze serveerden het uit. Op overvolle borden.

God nee, nu stond ze opeens voor me in die veel te grote doktersjas. Gebukt, het hoofd voor het kooitje op mijn schoot.

„En wie ben jij?”, vroeg ze onze kat. „Waar heb jij last van? Wat een mooie pels heb jij!”

En dat ging maar zo door, net zo lang totdat ik namens onze kat antwoordde dat ze niet kan praten. De assistente kwam overeind en zei een beetje afgemeten: „Dat weet ik hoor.”

„Dit is Duttie”, hoorde ik mezelf daarna zeggen. „Ze is een jaar of twaalf en stinkt ongelooflijk uit haar mond.”

Het werd genoteerd, waarna ze opmerkte: “Het stinkt wel, maar ik ruik niets bijzonders.”

Het was een opmerking waarop ik niets wist te zeggen.

„Heeft u het paspoort van Duttie meegenomen?” Ik wist niet eens dat Duttie een paspoort had. Zij: „Dan gaan we een paspoort maken!”

Het interview dat volgde ga ik op deze plek niet herhalen. Duttie heeft inmiddels een eigen paspoort. Bij geboorteplaats staat ‘op een boerderij’ en verder staat er dat hij last heeft van ‘flink wat tandsteen’, een kwaal waar hij volgende week vanaf geholpen wordt. Ik kijk er nu al naar uit. „Paspoort meenemen.”

    • Marcel van Roosmalen