Liever geen meisje

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

‘Simon, we hebben een meisje. Dat wilde je toch?’ Zo eindigt Een liefde in 1945 [1], de verrassende nieuwe roman van Monika Sauwer (1946). Autobiografischer kan bijna niet: de baby die ter wereld komt is zijzelf. Dankzij de bewaarde briefwisseling van haar aanstaande ouders uit de Hongerwinter, heeft ze hun liefdesgeschiedenis, inclusief haar eigen conceptie, precies kunnen reconstrueren. De correspondentie waarop de twee uitgehongerde kunstacademiestudenten Simon en Wies teren, is een moderne geschiedenis van Abelard en Heloïse, waar nadrukkelijk naar wordt verwezen. Uit haar talrijke eerdere romans, met name Nemo (2000), was al bekend dat Sauwer over een epistolair talent beschikt. Ongetwijfeld heeft ze de liefdesbrieven van haar ouders gestileerd, maar zonder afbreuk te doen aan de realistische beschrijvingen van het dagelijks leven tijdens die barre winter zeventig jaar geleden. In haar voorlaatste boek, Het raadsel vader (2011) portretteerde Sauwer haar vader Bernard Nusselder onder een gefingeerde naam. Dat personage lijkt erg op Simon, die terecht voorziet dat het gedwongen huwelijk met zijn zwangere oorlogslief zijn schilderscarrière en daarmee zijn leven grondig zal verpesten. Liever had hij helemaal geen meisje gehad.

Natascha van Weezel (1986) is een kleinkind van vier overlevenden van de shoah. Het is vrijwel onontkoombaar dat haar worsteling met haar identiteit uitmondt in een identificatie met het Jodendom, zoals zij beschrijft in De derde generatie.[2] Derde generatie slachtoffers? Die kwalificatie vermijdt ze; dit zou neerkomen op een ongepast koketteren met het leed van de grootouders. Toch is de jodenvervolging door de nazi’s bepalend voor haar doen en laten. In Nederland, Israël en de VS gaat zij op zoek naar generatiegenoten die eveneens nakomelingen zijn van overlevenden. Van Weezel schrijft dat zij meer met de oorlog, Israël en het Jodendom bezig is dan haar na de oorlog geboren ouders ooit zijn geweest.

Het zoeken naar houvast leidt tot een obsessie met wat zij ziet als de consequenties van haar afkomst. Die doen zich gelden op ieder gebied: cultureel, religieus, culinair, bij de partnerkeuze, Israël, groepsdenken. Als lid van de derde generatie verbiedt zij zichzelf haar ouders of grootouders teleur te stellen, zoals Ischa Meijer (eerste generatie) de hem toebedachte rol typeerde als die van ‘het jongetje dat alles goed moest maken’.

Sinds de Verlichting heeft de gedachte opgeld gedaan dat de beschaving vooruit gaat. Het zijn niet alleen de ervaringen van de 20ste eeuw of het nieuws uit de islamitische wereld die het vooruitgangsdenken onder druk zetten. Neem de veronderstelling dat lijfstraffen behoren bij vroegere tijden of achterlijke culturen, zoals de sharia-rechtspraak. In De gesel en de ander [3] betoogt historicus G. Geltner dat er geen sprake is van een tweedeling tussen modern en pre-modern of westers en niet-westers op het gebied van het strafrechtelijk toevoegen van fysieke pijn en verminkingen. De lex talionis (oog om oog) is van alle tijden. In de VS klinken zelfs pleidooien voor herinvoering van geseling, uit frustratie over het niet-functionerende en te dure gevangenissysteem. Een ander voorbeeld is het blootstellen van zedendelinquenten aan de volkswoede. Afranselen als straf is in derdewereldlanden veelal ingevoerd door koloniale regimes. Of dit soort nuanceringen het denken over misdaad en straf vooruit brengt, is vooralsnog voer voor criminologen.

Van vrijwel alle grote schakers bestaat een biografie. Maar is de in 1990 geboren Magnus Carlsen daar niet nog wat jong voor? Zijn landgenoot Arne Danielsen schreef Magnus [4], het levensverhaal van de Noorse grootmeester en op één na jongste wereldkampioen aller tijden, die deze maand voor de vierde keer het Tata Steel-toernooi won. Uiteraard wordt de loopbaan van de wereldkampioen van toernooi tot toernooi doorgenomen. Zijn status is vergelijkbaar met die van een popster. Helaas geeft de biograaf zich over aan zweverige bespiegelingen: ‘Misschien is de ultieme schaker wel iemand die in geestelijke zin zijn eigen ego weet te neutraliseren in een meditatieve vereniging van gedachten, gevoelens, lichaam en beweging – alles samengesmolten tot pure speelkracht.’ Vermoedelijk zitten de echte schaakliefhebbers, die het spel van Carlsen willen doorgronden, hier niet op te wachten.