Liefde is een cynische cyclus

Ilja Leonard Pfeijffer schreef voor de Poëzieweek een sonnettenkrans. Bij een La Chouffe prijst hij de virtuele liefde. „Ik heb mensen verliefd zien worden op een avatar.”

Dichter en schrijver Ilja Leonard Pfeijffer dicht het liefst buiten, op een terras in zijn woonplaats Genua. „Als ik zie hoeveel ik heb geschreven, snap ik niet wanneer ik dat allemaal gedaan heb.”

Achter in stadslokaal Burgerzaken in Leiden houdt de dichter audiëntie. Ilja Leonard Pfeijffer (47) zit aan een kleine tafel naast de bar. Druk in gesprek. De hele dag is ingeruimd voor fotosessies en interviews. De een na de ander mag met hem praten over het poëziegeschenk Giro Giro Tondo dat hij schreef voor de Poëzieweek (eergisteren begonnen). Of over zijn nieuwe dichtbundel Idyllen (deze week verschenen).

Rond lunchtijd, tussen De Volkskrant en De Telegraaf, ben ik aan de beurt. Pfeijffer staat op en schudt me de hand. Aan zijn voeten Crocs, over zijn bolle buik een coltrui, achter zijn lange lokken een vriendelijk gezicht, en achter zijn schroomvallige lach een rij tanden die best eens gepoetst mag worden. Later zal hij erkennen dat hij reuze zijn best doet om te voorkomen dat hij er representatief uitziet.

Hij gaat zitten, mompelt zachtjes iets over „meer interviewers dan poëzielezers”. Is deze dag zo’n bezoeking, vraag ik. Nee, nee, haast hij zich te zeggen. „Ik vind dit op geen enkele manier vervelend.” Hij bedoelde te zeggen dat zoveel belangstelling opmerkelijk is, zeker als je in ogenschouw neemt dat het aantal dichters ook het aantal lezers overstijgt. „Er zijn één miljoen dichters.” Echt? Hij knikt. „Minstens.” Het zijn de poëten die de circuits bevolken van festivals en uitverkochte voorleesavonden.

Een vers glas La Chouffe wordt voor hem neergezet. Het hoeveelste van vandaag? „Ik ben de dag begonnen met koffie”, zegt hij. Dat vroeg ik niet. „Ik doe het heel rustig aan”, verzekert hij. „Alles is onder controle.” Stilte. Hij hervat zelf het gesprek. „Er bestaan mensen die minder drinken dan ik.” Daar staat tegenover dat hij nooit thuis drinkt. En hij is nooit dronken. „Dronkenschap beschouw ik als een nederlaag. Dat is de bedoeling niet. Ik ben niet op zoek naar de roes.” Nee? „Nee. Ik moet wel kunnen blijven schrijven en schaken.” Wat zoekt hij dan wel? „Ontremming? Drank helpt me. Ik word een klein beetje losser.” Het lijkt vooral zijn tong die een zetje nodig heeft, niet zijn pen.

Zijn pen is heel vruchtbaar, al vindt hij zelf dat dat erg meevalt. „Ik ben de luiste persoon ter wereld.” Maar, toegegeven, toen hij laatst een overzicht moest maken van zijn werkzaamheden in het afgelopen jaar, kwam hij naast de wekelijkse columns voor nrc.next uit op een stuk of zes, zeven publicaties. Hij telt op zijn vingers. „Twee dichtbundels, een roman, een theatertekst, een hoorspel, een toneelstuk, een novelle.” Qua productie komt hij in de buurt van Arnon Grunberg, zeg ik. Die publiceert ook zo veel. Hij snuift bij het horen van de naam, denkt kort na over een dodelijke formulering en zegt: „Maar Arnon schrijft steeds hetzelfde boek.”

„Als ik zie hoeveel ik heb geschreven, snap ik niet wanneer ik dat allemaal gedaan heb”, zegt hij. Nou, help ik, waarschijnlijk in al die uren op terrasjes in de zon. De terrassen waarover hij in La Superba schrijft, de roman waarmee hij in 2014 de Libris Literatuur Prijs won, en die zich afspeelt in Genua, waar hij sinds 2008 woont. Hij huurt er een tweekamerappartement aan de Piazza delle Erbe, in het middeleeuwse centrum van de stad. „Vanuit mijn raam kan ik acht cafés zien.” En daar zitten hij en zijn opschrijfboekje elke dag. Computerwerk doet hij thuis, zegt hij. Denken en dichten, het „creatieve werk”, doet hij het liefst ergens buiten.

In Giro Giro Tondo, het poëziegeschenk, zitten heel wat terrasuren. De opdracht was even vaag als duidelijk. Het moest een niet al te dik (want te duur) boekje worden, en het thema moest ‘iets over de liefde’ zijn. „Dan ben je bij mij aan het goede adres.” Hij heeft er een wonderschoon werkje van gemaakt, met vijftien gedichten. Elk gedicht een sonnet, steeds beginnend met de laatste regel van het vorige. Het slotdicht bevat de begin- of eindregels van alle gedichten ervoor. Een sonnettenkrans heet dat officieel. Het klopt tot op de lettergreep. Hij streelt, gevleid, het driehoekje vlashaar bij zijn onderlip. „Het was zeer intensief om te maken. Een soort simultaan schaken op vijftien borden. Eén verkeerd rijmwoord en je zit er vijftien sonnetten aan vast.”

Dichten, zegt hij, doe je tegenwoordig vooral voor collega-dichters. Oorspronkelijk waren gedichten nooit bedoeld om in eenzame afzondering gelezen te worden. Ze moeten worden voorgedragen en beluisterd. Zo ging het bij de oude Grieken. Ilja Leonard Pfeijffer is classicus, gepromoveerd op het werk van de Griekse dichter Pindarus.

Hij heeft net (weer) ruim twintig teksten voor zangeres Ellen ten Damme gemaakt. „Zo op muziek zijn het gezongen gedichten.” Die vorm benadert voor hem nog het meest de oude functie van de dichtkunst. Dichten is een niche, zegt hij. Een nutteloze niche. Geen bezwaar wat hem betreft, want „hoe nuttelozer hoe beter”, en de lol zit hem erin andere dichters te laten zien hoe het wél moet.

Tot zijn tevredenheid is het hem gelukt het thema (de liefde) te verbinden met de vorm (de krans). De cyclische vorm van het gedicht volgt de „cynische cyclus” van de liefde. „Liefde is een vicieuze cirkel van begeren, beminnen, kwijtraken en missen.” En in zijn wereldbeeld is begeren hetzelfde als missen. „De grootste verlangens zijn er op gericht iets terug te krijgen wat je eerder bent kwijtgeraakt.” Is, vraag ik, beminnen dan ook hetzelfde als kwijtraken? Hij knikt ja. „Er is altijd een kloof tussen dat wat je begeert en de realiteit. Tussen hoe je denkt dat de ander is, en hoe die in werkelijkheid is.”

De meest sublieme liefdesvorm is daarom de virtuele liefde, stelt hij. Zelf heeft hij een tijdje rondgezworven op Second Life, een online wereld waarin internetters zich een nieuw leven en een nieuwe identiteit kunnen aanmeten. „Ik heb mensen echt verliefd zien worden op een avatar. Verliefd op iemand die zich hoogstwaarschijnlijk anders voordoet dan hij is, maar op wie alle fantasieën en verlangens worden geprojecteerd.”

In een ‘echte’ online relatie werkt het niet anders, zegt hij. „Liefde is een spiegelpaleis. Het draait om wat ik denk dat jij van mij denkt. De ware liefde is een uitvinding, een verzinsel. Er zijn zeven miljard mensen, en jij vindt uitgerekend die ene? Dat is geen toevalstreffer, maar een wilsbesluit.”

Terloops informeer ik naar zijn liefdesleven. Of hij zijn heil zoekt „in een verzameling pixels” of kennis heeft aan een „verzameling ledematen” (zo omschrijft hij een geliefde in La Superba). Even is hij stil. „De klassieke exclusieve relatie met de zogenaamd enige ware is mij vreemd.” Niet naar op zoek ook? „Als ik me voorstel hoe dat zou zijn...dan zou het niks toevoegen aan wat ik nu ook niet mis.” Hij stopt abrupt. „Laten we hier niet te diep op ingaan. Straks denken mensen nog dat ik autobiografische gedichten schrijf.” Nou ja, sputter ik, zijn gedichten doen vermoeden dat hij niet vies is van... liefde en wat daar zoal bij komt kijken. Hij herschikt zijn lange haren. „Ik mag dan classicus zijn”, zegt hij. „Maar ik ben niet wereldvreemd.”

Duizenden kladjes

Hij schuift zijn bord opzij, met daarop nog een halve boterham met zalm. „Ik hoef niet alles op te eten, toch?” Wat was hij eerder, vraag ik, dichter of schrijver? Gedecideerd: „Dichter.” Zelfs zijn debuutroman Rupert is een uit de hand gelopen gedicht. Thuis heeft hij duizenden kladjes liggen. Ze zitten veilig opgeborgen in een doos, niet bedoeld om ooit door iemand gelezen te worden. „Eerst moet je heel veel oefenen.” Hij schreef ze toen hij een tiener was, en op het gymnasium in Voorburg zat, waar zijn vader leraar was. „Mijn vader heeft de lange weg afgelegd. Eerst naar de mulo, want voor de hbs hadden zijn ouders geen geld. Kweekschool, onderwijzer op de basisschool, leraar Nederlands op de middelbare school.” En in zijn vrije tijd volgde hij een universitaire studie in Leiden. „Ik was bij zijn afstuderen. Ik was 11. Het maakte grote indruk. Dat wou ik ook.”

Zijn vader was op zijn beurt getuige van zijn promotie als classicus. Pfeijffer houdt van de beknopte zinsbouw van het Latijn, het geheimschrift van het Grieks. „Al het moois in de literatuur is in die talen geschreven.” Dat het vak weinig toekomstperspectief bood, vond hij een aanbeveling.

Wilde hij soms ook leraar worden? „Ten koste van alles wilde ik vermijden dat ik in het onderwijs terecht zou komen.” Zijn moeder werkte ook in het onderwijs. Ze had naar de kunstacademie gekund, maar koos voor de „veilige route van de kweekschool”.

College geven, vond hij wél leuk. „Studenten zijn geen onwillende pubers, maar kennis opzuigende sponzen.” Toch brak hij zijn wetenschappelijke carrière af om te leven van de pen. Tot verdriet van zijn moeder. „Zij zag mij afdrijven van het klassieke model van financiële zekerheid, hypotheek en siervelgen.” Heeft ze er vrede mee, nu hij zich ontpopt tot prijswinnend auteur? Hij schudt zijn hoofd. „Mijn moeder is heel goed in de uitoefening van het beroep moeder. Ze maakt zich permanent zorgen.”

Inmiddels zijn we drie La Chouffes verder. Hij vertelt verder over zijn ouders, allebei de zeventig gepasseerd, die net verhuisd zijn naar een groter huis. Hij zal ze kort bezoeken voor hij terug vliegt naar Italië. „Het was het huis van mijn oma. Ze hadden er eerder willen wonen. Maar oma werd 101.” Lezen ze zijn boeken? „Jazeker. Mijn vader is trots. Mijn moeder is het met alles niet eens én mijn grootste fan.” Ze vernoemde haar oudste en enige zoon naar de Ilja uit het kinderboek Ilja, de kleine ganzenhoeder. Even zwijgt hij. „Ze houdt plakboeken over mij bij”, zegt hij dan. „Heel consciëntieus.” Hij wijst op mijn opschrijfboekje op de tafel. „Dit wordt toch een stuk over twee pagina’s?” Ik knik. „Gelukkig maar”, zegt hij. „Anders kan ze het niet uitknippen. Dan windt ze zich weer zo op.”

    • Rinskje Koelewijn