Internationaal prestige filmfestival R’dam taant

Het 44ste filmfestival van Rotterdam is de laatste editie van directeur Wolfson. Hoe staat het IFFR ervoor nu de prijzen worden verdeeld?

Blije winnaars uit Peru, Cuba en Thailand, een Chinese violiste als intermezzo: de prijsuitreiking van het International Filmfestival Rotterdam (IFFR) in een zijhal van de Doelen was vrijdag een sobere affaire.

Dat past bij Rotterdam, dat in de acht jaar van scheidend artistiek directeur Rutger Wolfson anti-glamour bleef. Hij hield het schip op koers, maar volstaat dat de komende jaren? Want het internationaal prestige van het IFFR taant. Toonaangevende Britse, Duitse en Franse media lieten het festival dit jaar links liggen, in de vakpers klinkt kritiek. Vorig jaar gooide het invloedrijke Indiewire de knuppel in het hoenderhok onder de kop: ‘Hoeveel slechte films zijn nodig om een festival te ruïneren?’ Dit jaar kopt The Hollywood Reporter: ‘Kan innovatie het IFFR redden?’

Te veel obscure titels, te weinig handel, geen sterren: de klaagzang is bekend. Een beetje een papegaaiencircuit, vindt Wolfson. „We moeten niet vergeten hoe uniek en kwetsbaar het is, zo'n groot filmfestival in zo'n klein filmland.” Rotterdam heeft juist een herkenbaar profiel, denkt hij, terwijl ander festivals steeds meer op elkaar lijken. Maar dat is ook het probleem: de wereld is klein geworden. Ooit zocht Rotterdam avontuur in verre filmlanden, daarna in jong talent. Nu vist iedereen in die vijvers. Rotterdamse innovaties van weleer – co-productiemarkt CineMart, het Hubert Bals Fonds – werden gekopieerd, recente IFFR-ideeën bleken vaak gimmicks: cinema reloaded, crowdfunding, en dit jaar Tiger Release, een vod-platform. Ze komen, ze gaan. „Zie het als start-ups”, zegt Wolfson. „Niet alles lukt.”

Wel is het festival onder Wolfson bijna ongemerkt uitgegroeid tot etalage voor Nederlandse arthouse: dit jaar gingen elf speelfilms in première. Drie daarvan werden simultaan vertoond in veertig Europese bioscopen, waarna Britse, Poolse en Servische kijkers via Twitter vragen konden stellen. Dat deden ze bij de poëtische windsurffilm Atlantic, en vooral bij The Sky Above Us van Marinus Groothof, over Belgrado tijdens de NAVO-bombardementen van 1999. Een leuk idee, maar is het meer dan een gimmick?

In zijn kerntaak, het scouten van filmtalent, staat het IFFR onder druk. De Tiger Competitie voor eerste en tweede films kende rond 1999 en 2000 nog winnaars die later naam maakten: Lou Ye, Pablo Trapero, Christopher Nolan. Sindsdien viel onder de zestig winnaars alleen Kelly Reichardt op, maar haar Old Joy was in 2006 al eerder op Sundance te zien.

Misschien moet Rotterdam zich daar niet op blindstaren: het IFFR blijft een groot publieksfestival met een trouwe en ruimdenkende achterban. Rolf de Heer, juryvoorzitter van de Tiger Awards, zei deze week: „De mensen staan hier zo open. Ook als iets volstrekt mislukt, gaan ze heel respectvol in gesprek met filmmakers.”

Toch blijft er dat knagende gevoel dat de Gouden Eeuw voorbij is, dat Rotterdam renteniert. Op zijn minst is het IFFR na Wolfson toe aan een koele blik en harde vragen. Heeft het IFFR wel 435 filmtitels nodig? Hoe vergroot je het prestige van de Tiger Awards? En is de plaats op de agenda tussen Sundance en Berlinale, wel handig?

Of Rotterdam het knusse nest zelf wil opschudden, is een andere vraag. Zakelijk directeur Janneke Staarink ontraadde deze week in de festivalkrant buitenstaanders het solliciteren vast. „Voor ons is echt belangrijk dat (de opvolger van Wolfson) een goed gevoel heeft voor Rotterdam en Holland (..) niet iemand van een verre plek die hier nooit eerder was.” Helder.

    • Coen van Zwol