Het verhaal van een joodse arts in Suriname

Een microgeschiedenis kan grote vragen behandelen, zegt historica Natalie Zemon Davis, die een reconstructie maakte van het leven van een joodse arts in het achttiende eeuwse Suriname.

Broodkar van Fernandes. De Fernandes Bakkerij werd in 1918 in Paramaribo opgericht door de joodse Isaac Fernandes en zijn zoon Jule. Nationaal Museum van Wereldculturen

Ze wil mensen die in de grote geschiedenissen niet aan bod komen een stem geven, vertelt sociaal- en cultuurhistorica Natalie Zemon Davis in haar Haagse hotel. „Arbeiders, vrouwen en mensen die te maken hebben met culturele en religieuze grenzen.”

Dat leidde in de lange carrière van de in de vroegmoderne tijd gespecialiseerde Canadese en Amerikaanse wetenschapster tot uiteenlopende onderwerpen als Martin Guerre (de Franse boer en bedrieger die zich in de zestiende eeuw voor iemand anders uitgaf), Franse protestantse drukkers tijdens de Reformatie, en de zeventiende-eeuwse levens van een joodse handelaarster, een katholieke non en de protestantse onderzoekster Maria Sibylla Merian.

Het is geen toeval dat Zemon Davis, in 2010 onderscheiden met de Noorse Holbergprijs – ook wel de Nobelprijs voor geesteswetenschappen, sociale wetenschappen, rechten en theologie genoemd – in de buurt van het Nationaal Archief logeert, want de 86-jarige emerita-hoogleraar van Princeton en de University of Toronto doet nog steeds onderzoek. „De laatste jaren ben ik bezig met onderzoek naar joden en slaven in Suriname.”

Voor de catalogus bij de deze week geopende tentoonstelling Joden in de Cariben in het Joods Historisch Museum in Amsterdam heeft ze een hoofdstuk geschreven over David Nassy als arts in achttiende-eeuws Suriname. „Ook een microgeschiedenis kan grote vragen behandelen. In dit geval: zag Nassy kenmerkende relaties tussen gezondheid, ziekten, ras en godsdienst?”

Slaveneigenaar

De nazaat van een van de eerste joodse kolonisten in Suriname pleitte voor de gelijkstelling van joden en christenen, maar was ondanks zijn verlichte ideeën ook slaveneigenaar. „Nassy is een van mijn twee Surinaamse onderzoeksprojecten. Eerst wilde ik het verhaal van hem en zijn familie tegelijk vertellen met het verhaal van vier generaties van een slavenfamilie. Maar dat werkte niet omdat hun geschiedenissen elkaar niet raken. Daarom worden het nu twee publicaties.”

Terwijl Zemon Davis voor haar slavenverhaal geen directe bronnen heeft en aan de hand van onder meer notarisakten, belastingarchieven, en zeldzame boekuitgaven als oude Sranantongo-woordenboeken en toneelstukken veel moet extrapoleren en interpreteren, heeft ze voor Nassy geen gebrek aan persoonlijke geschriften. „Ik heb hem leren kennen door zijn bekendste werk, Essai historique sur la colonie de Surinam uit 1788, dat drie jaar later als Geschiedenis der kolonie van Suriname in het Nederlands is vertaald.”

Nassy, geboren in 1747, getrouwd met een nichtje en vader van een dochter, was eerst vertaler Spaans en Portugees voor het Hof van Politie en Criminele Justitie van Suriname. „Joden hadden veel vrijheid in Suriname, maar konden niet in het bestuur van de kolonie komen”, schildert Zemon Davis kort de positie van de joden in achttiende-eeuws Suriname.

Naast zijn werk vervulde Nassy de functie van penningmeester en notaris van het bestuur van de Portugees-joodse gemeente. Verder bezat hij de Tulpenberg, een koffieplantage aan de Surinamerivier die hij in 1770 voor veel geld had gekocht. Drie jaar later ging de plantage aan wanbeheer ten onder en Nassy zag zich gedwongen zijn schuldeisers in Paramaribo te ontvluchten. Hij trok met zijn gezin naar Jodensavanne, de joodse landbouwkolonie aan een zijrivier van de Surinamerivier.

Daar legde hij zich met hulp van een joodse arts en door zelfstudie toe op farmacie en geneeskunde. Een paar jaar later had Nassy zijn schuldeisers afbetaald en kon hij terug naar Paramaribo. Hij wist het Collegium Medicum, dat de geneeskunde in Suriname reguleerde, van zijn kunnen te overtuigen, want het stond toe dat hij als apotheker en arts zonder titel aan het werk ging.

Als arts zag Nassy geen verbanden tussen aan de ene kant gezondheid en ziekten en aan de andere kant ras en godsdienst, concludeert Zemon Davis. „Hij vond wel dat joden met hun spijswetten gezonder leefden dan christenen, vooral vergeleken met christelijke mannen die veel dronken. En hij had gelijk. Suriname was sowieso geen gezonde plek om te leven, maar het sterftecijfer onder christenen was hoger dan onder joden.”

Zwarte lapzalvers

Nassy maakte volgens de historica ook geen onderscheid tussen zwarte en blanke ziekten. „Anders dan vele anderen zag hij de Afrikanen niet als degenen die lepra hadden gebracht. En terwijl anderen de bulten op het lijf van zijn jonge slaaf Mattheus als lepra diagnosticeerden, was hij er zelf van overtuigd dat het om een huidaandoening ging.” Hij gaf ook toe dat sommige negers kennis van geneeskrachtige kruiden hadden. „Maar hij beschouwde zichzelf wel superieur aan de ‘zwarte lapzalvers’.”

Nassy was dan ook niet principieel tegen slavernij. Toch nam hij in 1789, toen hij voor drie jaar naar Philadelphia vertrok, Mattheus mee, hoewel hij wist dat hij hem daar volgens de Gradual Emancipation Act zou moeten vrijlaten en in dienst zou moeten nemen. Met Mattheus als assistent hielp Nassy mee een gele koorts-epidemie in de Amerikaanse stad te bestrijden, wat er voor zorgde dat hij bij terugkomst in Suriname officieel als arts werd erkend.

Voor haar benadering van geschiedenis en het inzicht dat haar microgeschiedenissen opleveren, kreeg Zemon Davis anderhalf jaar geleden uit handen van president Obama de Amerikaanse Medal of Humanities. „Hoewel ik de Holbergprijs hoger aansla, was het om twee redenen bijzonder: ik kreeg de prijs uit handen van een president met een gemengde raciale afkomst en vlakbij was het gebouw waar het Opperste Gerechtshof in de jaren vijftig tegen een principiële behandeling van de zaak van mijn man had gestemd.”

Haar man, wiskundige Chandler Davis, die lid was geweest van de Communistische Partij, had gevraagd de Commissie voor On-Amerikaanse Activiteiten ongrondwettelijk te verklaren. Hun paspoorten waren al eerder ingenomen.

Zemon Davis: „Voor mijn proefschrift over Franse drukkers kon ik toen niet naar Frankrijk reizen. Een ramp, tot ik bedacht dat de boeken die ze hadden gedrukt als bron konden dienen en dat ik die gewoon in bibliotheken met Bijzondere Collecties in Amerika kon raadplegen.” Lachend: „Dus de FBI heeft er voor gezorgd dat ik mede onderzoek doe aan de hand van zeldzame boekuitgaven.”

    • Theo Toebosch