Evenementen maken de stad niet leuker

Marente de Moor verhuisde naar Maastricht. Ze kwam terecht in een stad waar het altijd feest moet zijn. Door al de evenementen die worden georganiseerd, wordt de binnenstad onbewoonbaar.

Vorig jaar, vlak na carnaval, verhuisde ik naar Maastricht. Uit mijn raam zag ik de Maas, die zich samen met treinen vol uitgeputte feestvierders voortsleepte naar het noorden, een verlaten brouwerij, fabriekspijpen zonder rook en de oudste brug van Nederland, waarop een man in berenpak zich stond uit te rekken.

Ik wist toen nog niet dat deze binnenstad slechts een kort uitslapen was gegund, dat de aw brögk, de brug in het Limburgs, zich tot de winter zou onderwerpen aan een grotere, maar veel minder bonte toestroom recreanten.

Hier, aan de andere kant van het water, werden ze opgewacht door de bourgondische beloften van horeca en stadsbestuur. Er stond zuurvlees klaar en de koninklijke harmonie, je kon met scheepjes naar de Pietersberg en kaarsjes branden voor de Sterre der Zee en dat was mooi, maar nog niet alles.

Cultuurzomer: Tros Muziekdagen en Rieu

Al met Koningsdag, die op de Maasoever drie dagen duurde, bleek dat deze gemeente gul was met vergunningen. Bessems Evenementen Service BV bouwde op, brak af, bouwde op. Wielrenners en samenlopers, amateurs en profs werden oorverdovend bij geluisterd. Er waren soapacteurs van Flikken Maastricht, die zich lieten toejuichen alsof ze de stad hadden bevrijd. De koning kwam langs en de ex van de burgemeester dompelde de Markt onder in de glamour van RTL4. En dankzij het bordkartonnen Venetiaanse decor, dat André Rieu heel juli op het Vrijthof liet staan, konden de bewoners wennen aan die andere door toerisme geteisterde stad.

Deze ‘Cultuurzomer’ duurde vier maanden, waarin de decibellen van de Tros Muziekdagen, Dancetour, Bruis en de Summer dj’s de ratten uit de vestingmuren verjoegen. De studenten kregen springkussens en drumbands, de frambozenrode pantalons bubbels en beats, Froger-fans hun Mokum aan de Maas. De bewoners kregen soms een brief waarin werd aangekondigd dat het weer eens heel gezellig ging worden. Toen ik mijn bezwaren uitte voor de gemeenteraad werd me verweten dat ik een dode stad verlangde boven een levendige.

Maar welk leven brengen evenementen? Het idee, dat steden regelmatig gereanimeerd moeten worden, is zo oud als Milete. De overtuiging dat dit lukt met georganiseerd vermaak, is tamelijk nieuw. En hardnekkig. In de discussie over de kwaliteit van steden domineren de bezoekersaantallen. Amsterdam zakt en stijgt op de lijstjes van favoriete steden, maar bezoekersaantallen dalen nooit meer.

Wim Pijbes riep op tot een Deltaplan Toeristisch Amsterdam, maar vond dat de bewoners zich ook wel eens wat charmanter mochten gedragen. Charmant, omdat het moet. De norm is de gast, met de pastiche in zijn of haar reisgids: een Rembrandt, in het museum en daarbuiten, maar dan zonder de hufters, stank, rovers, builenpest.

Hier in het zuiden zitten we met het bourgondische sjabloon opgescheept. Een keurslijf van gezelligheid waarin de bewoners van Venetië en Barcelona zich al jaren proberen om te draaien, maar dat gewoon niet zo lekker slaapt. En dan toch elke ochtend charmant weer op. Om drie miljoen bezoekers per jaar in Maastricht te ontvangen – of de studenten, nu nog een achtste van de bevolking. Veel huizen in de binnenstad zijn in studentenkotten opgedeeld: een reden waarom het zo moeilijk bleek om hier een betaalbaar appartement te vinden.

Maar had ik dat wel moeten willen, in de binnenstad wonen? Is dat überhaupt nog de bedoeling?

Zo veel lever ik Maastricht niet op. Meer dan één buitenlandse student, schat ik, maar minder dan een bus Rieu-fans. De gemeente illustreert haar voorkeur regelmatig door het Vrijthof af te bakenen met schermen en dranghekken van hen die hier wonen, voor hen die toegang betalen.

Het nieuwe tolheffen

Evenementen zijn het nieuwe tolheffen. Een slagboom in de Helpoort en je hebt een Outlet Center. Charmant tot aan sluitingstijd. Zo zieltogen steeds meer binnensteden buiten het seizoen, omdat ze zijn uitgerust op de toeristenstroom van de zomer, als badplaatsen. Om deze 0,34 vierkante kilometer binnenstad te verkennen is er pretparkvervoer in de vorm van solartrammetjes, biertapfietsen, segways en dubbeldekkers.

Sinds bekend werd dat Maastricht geen culturele hoofdstad van Europa wordt, lijkt ze zich aan het platte vertier te hebben overgegeven, terwijl de financiële steun aan sympathieke culturele projecten is ingetrokken. De vermaakindustrie holt de binnenstad uit zoals de mergelwinning de Pietersberg: de grens is bereikt, maar de euro’s moeten nog een paar jaar stromen voor de ravage aan de natuur wordt teruggeven.

Ik wilde alweer verhuizen, toen de winter kwam. Van een hysterische kleuter veranderde Maastricht in het meest aangename gezelschap. Er hing iets samenheulerigs in de straten. Het toeristische stof was neergedaald en de bewoners herkenden elkaar. De cafés, restaurants en theaters die geen toeristenpastiche serveerden, maar met de stad zijn vergroeid, zaten nog steeds vol. En niet alleen die. Een half jaar geleden werd in een verlaten brandweerkazerne een kantine geopend waar licht, ruimte, goede muziek, films en fijn eten op een ontspannen manier worden aangeboden, en het is er nog geen dag leeg geweest. Klaarblijkelijk voorziet het in een sterke behoefte onder bewoners, want voor dagjesmensen ligt het te ver uit de loop.

Evenementen daarentegen zijn producten van de vermaaksindustrie, georganiseerd vanuit de veronderstelling dat we op een kolossale en geweldige manier moeten worden beziggehouden. Maar als steden daar werkelijk van opbloeiden, dan was Landgraaf na 35 jaar Pinkpop een gewilde woongemeente geweest.

Recreatie. Dit gekke woord – je schept iets wat al bestaat – raakte ingeburgerd in de jaren van de wederopbouw. Wat zou er gebeuren, als we steden afkoppelden van deze reanimatie? Als stadsbesturen zich niet langer lieten opzwepen door marketingbureaus en het dogma van ‘citybranding’?

Probeer het eens, zou ik zeggen. Laat steden eens ademen op eigen kracht. Stop de zoektocht naar ‘unique selling points’ en laat in een van nature charismatische stad als Maastricht de nonchalance toe. Misschien dat die veelbelovende afgestudeerden, die ze elk jaar met lede ogen ziet verdwijnen, dan wel blijven. Dat ze een eigen werkplek bouwen of een uurtje forensen op de koop toe nemen, zoals de bewoners van andere karakteristieke steden.

Misschien dat dan meer mensen verhuizen naar de meest Europees gelegen stad van Nederland, die je vanaf een berg kunt bewonderen, waar je kunt ontbijten tussen de Romeinse opgravingen en verdwalen in bunkers, waar je, om bij de bouwmarkt te komen, tussen de schapen over raveleinen moet klimmen, waar geluidskunst klinkt in oude gevangeniscellen, waar stokdove bejaarden nog steeds hun winkeltjes onderhouden en nonnen hun kloostertuinen op A-locaties, waar een Syrische filmmaker in de binnentuin van een brouwerij de sterren van de blote hemel kookt, waar in Take Five nog steeds Mingus klinkt en elke viervoeter gebraden kalkoen krijgt, waar je op de markt ’s ochtends al aan de drank mag, waar de beste koperblazers van het land wonen, hele kerken loepzuiver Haydn meezingen en een mooie taal wordt gesproken die je goed kunt fluisteren, maar moeilijk schreeuwen.

Ik weet het eigenlijk wel zeker: alleen onafhankelijk ademende steden houden de onafhankelijk ademende bewoners op wie ze kunnen voortbouwen.

De winterslaap is voorbij, carnaval staat weer voor de deur. Ik trek mijn berenpak aan, loop naar de aw brögk en rek me uit.

    • Marente de Moor