Een fietsend volkje

Nederlanders maken samen elk jaar 200.000 fietstochtjes. Als filigraan liggen paden en routes over het vlakke land.

Nederlanders zijn een fietsend volkje. Op zonnige zondagmiddagen peddelen wij in lange stoeten, gestoken in fleurige vrijetijdskledij, opgeruimd over een fijn vertakt netwerk van geasfalteerde fietspaden door bos, langs hei en weiden: echtparen uit de categorie actieve senior, dikwijls vergezeld van een bevriend paar, maar ook velen in gezinsformatie, kinderen op een eigen fietsje, of in een zitje op stang of bagagedrager, niet zelden de hond in een mand achterop. De fietsenrekken bij pannenkoekrestaurants puilen uit van de geparkeerde rijwielen. Bij infoborden op kruispunten ontstaan kleine opstoppingen van fietsers die zich verdringen om de juiste richting te vinden. Alles verloopt goedsmoeds.

Iedereen fietst in Nederland, alleen in de laagste sociale klasse en onder migranten minder: Surinamers en Antillianen iets meer dan Marokkanen en Turken, die het ook niet doen als ze het ruimer krijgen, ze blijven liever op zondag picknicken in het park.

In twintig jaar groeide ons ‘fietspark’ van 16 naar 23 miljoen en er zijn dus meer fietsen in omloop dan Nederlanders, die daarmee jaarlijks 200.000 tochtjes maken van 2,5 uur of 20 kilometer, waaraan men in totaal 450 miljoen euro besteedt. Hoewel het aantal verkochte rijwielen tijdens de crisis daalde, steeg de omzet want fietsen worden steeds duurder. Vooral elektrisch aangedreven fietsen zijn in opmars: het aantal e-bikes verdubbelde in vijf jaar, de prijzen liggen rond 2.500 euro.

Al zijn de meeste toeristische fietsers boven de vijftig, bijna een kwart van de gebruikers der fietspaden behoort tot de ‘gezinnen met jonge kinderen’. Het is een nationale traditie, waarin het vorstenhuis ons voorging. Wilhelmina kocht al op haar zeventiende, na het zien van een wielerwedstrijd te Wenen, een vélocipède; na haar troonsbestijging verbood de premier haar er op te rijden – te riskant. Maar 35 jaar later trok ze de stoute schoenen aan en fietste onaangekondigd door Katwijlk. Haar dochter Juliana werd bekend als The Biking Queen, van haar kleindochter Beatrix staat een standbeeld te fiets voor het paviljoen op de Posbank. Zelfs Máxima, die betwijfelt of ‘de’ Nederlander bestaat, paste zich in dit opzicht aan.

De infrastructuur voor het toeristisch fietsen is puik en wordt steeds beter. Er ligt 35.000 kilometer fietspad in ons land, en het worden er steeds meer! Moest je in Juliana’s tijd bij iedere rood-witte ANWB-paddenstoel afstappen om de plaatsnamen te lezen (als die je al iets zeiden), nu is Nederland overdekt met een fijnmazig filigraanwerk van ‘fietsknooppunten’, waarbij je alleen maar nummers hoeft te volgen. Het verhaal dat dit systeem ontleend zou zijn aan de wijze waarop mijnwerkers hun weg ondergronds vonden, spreekt tot het romantisch gemoed maar is een urban legend. Wel is de bedenker, Hugo Bollen, een voormalig Belgisch mijningenieur, maar in zijn tijd ging het vervoer in de mijnen al per rails en waren richtingaanwijzingen overbodig.

Het achtste wereldwonder

De ware oorsprong van het fietsknooppuntenwerk ligt bij Bollens vrouw Miek, die er niet tegen kon dat hij op hun fietstochtjes telkens afstapte om de kaart te raadplegen. Daarom gaf Bollenalle kruispunten rond Hasselt een nummer, dan kon hij voortaan volstaan met het vooraf noteren van een rijtje nummers. Dat systeem, in België betiteld als ‘achtste wereldwonder’, breidde zich sedert de jaren negentig vanuit Belgisch Limburg noordwaarts uit tot het, inmiddels 32.000 km lang, in 2012 Groningen bereikte. Overal langs de fietspaden zie je op ooghoogte van de fietser de groen-witte bordjes met een getal in een cirkel en een duidelijke pijl. Je kunt ze niet missen, want ruimschoots voor je er bent staat er: ‘U nadert het knooppunt’. Bollen houdt van royale bewegwijzering.

Hoeveel het toeristisch fietsen ook is onderzocht, naar de motieven blijft het gissen. Ach, die liggen immers voor de hand: lekker buiten in beweging zijn, bij warm weer met de wind in je haren. Je kunt bij huis beginnen, al monteert menigeen een drager op de auto om met fiets en al eerst naar de Veluwe te rijden. En dan op de trappers, het is nog gezond ook! Hier stuiten we echter op een paradox: men wil meer bewegen en koopt daartoe in toenemende mate een type fiets waardoor je minder hoeft te bewegen.

Volgens inspanningsfysioloog hoogleraar Willem van Mechelen (VUmc) is ‘alles meegenomen bij het bestrijden van de enorme risicofactor van lichamelijke inactiviteit’ en ‘snijdt de e-bike hout’ als je eerst helemaal niet bewoog. Maar wie van een gewone fiets overstapt op een elektrisch rijwiel zou een veelvoud van het aantal kilometers moeten trappen om dezelfde ‘gezondheidswinst’ te boeken als eerst: Toch is al een miljoen e-bikes in gebruik, doorgaans afgesteld op de minste weerstand.

Het einde van de ontwikkeling naar meer luxe en meer gemak is nog niet in zicht. Sinds kort is er de speed pedelec, een e-bike die wel 45 km per uur haalt. Maar in welke vorm ook, de fiets blijft het vliegwiel van Nederland.

    • John Jansen van Galen