Een heel leven waarin ik ontbreek

Redacteur Anouk Eigenraam (37), op haar tweede jaar geadopteerd, bezoekt na lang aarzelen haar familie in Zuid-Korea. Ze krijgt er antwoorden maar ook veel nieuwe vragen. „Het is duidelijk dat mijn Koreaanse familie er een is van geheimen.”

‘Vader is heel blij dat je naar Korea bent gekomen. Al die jaren heeft hij aan je gedacht.” Het is een van de eerste dingen die mijn Zuid-Koreaanse halfbroer tegen me zegt. Dong eon en ik kennen elkaar tien minuten. Ik vind hem direct sympathiek. Hij heeft de gedecideerdheid van een oudere broer – al is hij jonger dan ik – maar straalt ook vriendelijkheid uit.

Mijn halfzus Mi young is met hem meegekomen. Ik lijk op beiden. Ik heb dezelfde bolle wangen als mijn broer en het lange gezicht van mijn zus. Tegelijk zijn er verschillen. Op mijn gezicht kleeft niet een enorme laag foundation, wat het hier zo gewenste ivoorkleurtje aan je huid geeft.

Gedrieën zitten we op mijn hotelkamer in Incheon, de stad waar ook mijn vader woont. Zij zitten op het bed, ik sta achter mijn camera tegenover hen. Ik wil alles opnemen zodat ik het later nog eens kan terugkijken. We praten Engels. Mijn broer leert Engels om manager te kunnen worden op de afdeling Human Resources bij Korean Airlines, waar hij werkt. Mijn zus moet af en toe de vertaalapp op haar telefoon erbij pakken.

Ook haar mag ik onmiddellijk. Ze vertrouwt me toe dat ze altijd al een zus heeft willen hebben. Net als ik heeft ze alleen broers. „Ik zal je ‘onni’ noemen, dat betekent oudere zus.” Ze wil van alles weten: heb ik een koophuis? Krijgen leraren in Nederland goed betaald – zij geeft zelf les op een basisschool. En: heb ik een vriend? It’s complicated blijkt ook in Korea geen verdere uitleg te behoeven.

Dong eon bekent dat hij eigenlijk helemaal niet zo blij was dat ik enkele maanden geleden contact met hen zocht. Hij was bang dat ik de lieve vrede zou verstoren. „Ik zei tegen vader: Laat het verleden toch het verleden.” Het is ontwapenend openhartig. Tegelijk moet ik even iets wegslikken.

In mei 1979, vijf dagen na mijn tweede verjaardag, ben ik geadopteerd. Mijn Nederlandse ouders hebben daar nooit een geheim van gemaakt. Ze moedigden mij en mijn Koreaanse, eveneens geadopteerde stiefbroer van jongsaf aan aan op zoek te gaan naar onze eigen ouders. Maar wij waren als kind vooral bezig te zijn zoals andere kinderen in het nuchtere Noord-Holland.

In de loop der jaren werd ik wel nieuwsgieriger naar mijn afkomst, maar toch stelde ik het steeds uit om contact te zoeken. Ik parkeerde het in mijn achterhoofd als iets ‘wat ik nog moest doen’. Naar de buitenwereld deed ik er vrij nuchter over, maar dat je ouders afstand van je hebben gedaan, voelt nooit echt lekker. Toen mijn vader in 2005 contact zocht, wimpelde ik het (min of meer) af voor dat moment. Ik kreeg toen ook het bericht dat mijn moeder in 1995 aan maagkanker overleden was. Dat deed me meer dan ik had verwacht. Zij was nu juist degene naar wie ik het meest nieuwsgierig was.

Toen mijn leven in rustiger vaarwater kwam, nam de drang toe om naar Korea te gaan. Ik denk dat ik er klaar voor ben. Voor zover je ooit klaar kan zijn voor een dergelijke ontmoeting. Je weet natuurlijk nooit wat je te wachten staat.

Het contact met mijn vader liep eerst via het voormalige weeshuis in Seoul, daarna rechtstreeks over de mail. In mijn adoptiepapieren staat dat mijn ouders een half jaar na mijn geboorte gescheiden zijn. Omdat mijn vader wilde hertrouwen en een kind uit een eerder huwelijk een belemmering vormde, zou hij me ter adoptie hebben aangeboden. Met zijn nieuwe vrouw bleek hij nog drie kinderen te hebben gekregen. Hij stuurde me foto’s van hen.

In zijn eerste mail vroeg hij om vergeving voor mijn adoptie. „I don’t deserve to be forgiven and have no words to say, but I just pray for you to live a happy and healthy life.” Ik mailde terug dat er niets te vergeven viel en dat ik een fijn leven had. Ik stuurde hem een aantal foto’s van mezelf door de jaren heen. Dong eon vertaalde mijn mails. „Vader stond erop. Het is zijn laatste wens je te zien voor hij sterft. En dus is het mijn plicht dit te doen.”

Mijn vader heeft zijn gezin pas sinds mijn mailtjes ingelicht over mijn bestaan. Al hadden mijn broers en zus mijn naam wel zien staan op de begeleidende papieren van hun huwelijksakten, zeggen ze. Ze zijn alle drie al getrouwd, hebben zelfs al kinderen. Ze namen aan dat ik „een overleden kind” was. In de periode van mijn adoptie eind jaren 70, aan het begin van de grote economische boom in Korea, overleden er nog veel baby’s als gevolg van armoede.

Dong eon en Mi young zijn ook nieuwsgierig naar de reden van mijn adoptie, zegt Mi young. „Je moet alles vragen. Dit is de eerste keer dat vader hierover praat.” Dan lachend: „In Koreaanse soaps gebeurt het ook altijd dat een van de karakters nog een zoon of dochter blijkt te hebben. Die komt dan ineens opdagen. En nu maken we het zelf mee!”

Mi young vertelt dat ze na haar studie drie dagen in Nederland is geweest en de stad van de kaas heeft bezocht: Alkmaar. Ongelovig schud ik mijn hoofd: „Daar ben ik opgegroeid!” Nu is zij verbaasd: „You lived there? With all the cheese?” Ik knik, met al die kaas. Wat een ironie. Al die jaren wilde ik mijn geboorteland niet als toerist bezoeken voordat ik besloten had of ik contact wilde met mijn familie. En in de tussentijd had ik mijn zus in Alkmaar op de kaasmarkt tegen het lijf kunnen lopen.

 

Twee dagen later is het zover: ik ga mijn vader ontmoeten. Van alle hotels in deze miljoenenstad blijk ik er een te hebben gekozen die op tien minuten rijafstand ligt van mijn vaders huis. Dong eon haalt me op in zijn grote, zilverkleurige auto. Ik ben zenuwachtig. Terwijl hij in de auto voluit meezingt met Whitney Houston scan ik mijn outfit (rokje, shirt met ronde hals) door Zuid-Koreaanse ogen. De vrouwen hier kleden zich – uitzonderingen daargelaten – vrij conservatief. Oversized sweaters en vesten, soepjurken in sobere kleuren en ronde halslijnen domineren het straatbeeld; een decolleté lijkt uit den boze.

Mijn vader woont in het type anoniem appartementencomplex waar veel Zuid-Koreaanse steden vol mee staan. Die steden zijn doorgaans ronduit lelijk. De eindeloze hoogbouw vormt een schril contrast met de prachtige bergen waar het land voor tachtig procent uit bestaat, en die het decor vormen, waar je ook kijkt.

Als ik binnenkom, staat mijn vader op me te wachten. Onwennig loop ik op hem af nadat ik bij de voordeur mijn schoenen uit heb gedaan; dat doe je hier – ook in restaurants. Ik geef hem maar een hand en knik wat, zoals ze dat hier gewend lijken.

Ik lijk op hem; we hebben hetzelfde langwerpige gezicht met dezelfde lijnen. Hij slaat zijn armen om mij heen en begint excuses te maken. „I’m sorry, I’m so sorry. Sorry, sorry.” Wat onhandig klop ik op zijn rug en zeg dat het „okay” is. Ik lijk op mijn moeder gebaart hij naar Dong eon. „You are beautiful woman.

Zijn huis hangt vol met foto’s van zijn gezin, zoals veel Koreaanse huizen. Een muur van de woonkamer wordt in beslag genomen door familieportretten, trouwfoto’s en foto’s van de kleinkinderen. De andere muur is bedekt met kiekjes van vakanties met zijn vrouw, geboortes en andere momenten. Een verslag van een heel leven, waarin ik ontbreek. Een lichte steek van jaloezie gaat door me heen.

We gaan op een verwarmde mat op de grond zitten. Koreanen zijn voor onze begrippen kouwelijk van aard. Bij temperaturen waarbij we in Nederland rokjesdag zouden uitroepen, lopen ze hier met dikke jassen en halen de elektrische dekens uit de kast. Huizen, hotels, winkels en het openbaar vervoer worden rustig opgestookt tot een verstikkende 23 graden.

Van tevoren heeft mijn vader laten weten dat ik alles aan hem mag vragen. Ik kom dus meteen ter zake: waarom heeft hij me afgestaan? Verrassend genoeg antwoordt hij: „Dat heb ik niet gedaan. Je tante heeft je weggebracht. Op een dag was ik naar m’n werk en toen ik thuiskwam, was je weg.”

De tranen springen in mijn ogen. Mijn blik valt op de tientallen foto’s aan de muur. Hier had ik tussen moeten staan, zo voelt het plotseling.

Talloze vragen komen op. Waarom deed mijn tante dat? Kon een familielid zomaar andermans kind ter adoptie afstaan? Heeft mijn vader me niet gezocht? Op de laatste vraag mompelt hij iets in de trant van dat hij „veel fouten heeft gemaakt”, en dat hij in die tijd „young and stupid” was.

De reden van de scheiding van mijn ouders blijft onduidelijk. Volgens mijn vader had mijn moeder verzwegen dat ze eerder zwanger was geweest van een ander.

Duidelijk wordt wel dat mijn Koreaanse familie er een is van geheimen. De vrouw met wie mijn vader in 1979 hertrouwde, blijkt in eerste instantie niet te hebben geweten van zijn eerste huwelijk. Ze vertelt dat ze hier pas een paar jaar later achterkwam. Aan haar felle toon te horen, is ze er nog boos over. Ik voel me opgelaten dat ze hierover begint in mijn bijzijn.

Mi young lijkt mijn stemming goed aan te voelen. Als we met de hele familie gaan eten in een restaurant tikt ze op de vertaalapp van haar telefoon in: „How do you feel? Is it really awkward and weird?

Eten met mij is een uitdaging voor de familie. Ik ben flexitariër en eet geen vlees, wel incidenteel wat zalm of tonijn. Maar de Koreaanse delicatesse die van het schaaltje de tafel opkruipt, sla ik tot hun verbazing beleefd af. Daarnaast laat ik sinds een paar dagen de tofu en ingemaakte groenten staan omdat ik er allergisch op reageer. Mijn familie is al snel het spoor bijster. „Dus je bent vegetariër, maar je eet geen tofu? En je eet vis, maar geen inktvis?”

Na het eten ga ik met mijn vader een stukje rijden. Hij wil de skyline van Seoul laten zien als het donker is. Ik ga mee, al ben ik doodop. Onderweg zegt hij verschillende dingen die ik niet kan verstaan. Ik knik maar wat in het luchtledige. Tot mijn verbazing zet hij de tv aan in de auto en kijkt vervolgens onder het rijden een quiz. De vervreemding is compleet.

Als we weer terug zijn, duwt hij me een envelop in handen. Er zit duizend dollar in. Het blijkt voor mijn Nederlandse ouders bedoeld te zijn, als dank voor hun goede zorgen. Ik weet er niet zo goed raad mee. Weigeren is onbeleefd begrijp ik, al probeer ik het wel. Mijn ouders protesteren later hevig over de mail.

Ik wil net gaan slapen als hij met een fles sake schudt. Voor dat gebaar van ‘nou nog eentje dan’ heb ik geen Koreaans nodig. Het worden er drie.

Voor elke laatste slok tikken we de glaasjes tegen elkaar. Het voelt als een huiselijk moment: even zijn we gewoon een vader en een dochter die aan de keukentafel een borrel drinken.

De volgende dag komt op mijn verzoek mijn oom Lim Sung Ak langs, een broer van mijn moeder. Mijn vader heeft hem jaren niet gesproken. Hij blijkt pas zestien jaar na mijn moeder te zijn geboren en kan zich dus niet alles goed herinneren. Dong eon vertaalt weer. Aan zijn ah’s te horen is hij oprecht verbaasd over wat mijn oom zegt. Oom Lim heeft dan ook een ander verhaal over de scheiding van mijn ouders: hij beweert dat er huiselijk geweld in het spel was bij de scheiding van mijn ouders en dat mijn moeder na de zoveelste keer haar spullen heeft gepakt.

Mijn vader zit er zwijgend bij. Ik vraag me af of dat is uit beleefdheid of omdat het waar is wat mijn oom vertelt. Dong eon gelooft het niet, zegt hij later. „Volgens mij zeggen ze allebei niet de waarheid.”

Mijn oom vertelt verder dat mijn moeder na de scheiding van mijn vader eveneens hertrouwd is en een zoon kreeg. Mijn broers zijn nu in aantal verdubbeld. Al is onbekend waar deze halfbroer woont, mijn oom is hem uit het oog verloren. Spoorloos, aflevering 2, denk ik.

Voor het eerst krijg ik foto’s te zien van mijn moeder. Het is alsof ik in een spiegel kijk, maar dan vijftien jaar geleden. Ze heeft gepermanent haar, wat ik toen ook eens nam in een wilde bui. Op de foto staat ze naast mijn oom en moet ze ongeveer van mijn leeftijd zijn. Hij lacht, zij niet. Het valt me ineens op dat ze op geen enkele foto vrolijk kijkt, maar onbewogen, bijna humeurig.

Ik vraag mijn oom of ze het ooit over mij heeft gehad. Hij herinnert het zich niet, maar weet wel dat ze niet gelukkig was. „Vooral toen haar zoon was geboren. Ze huilde en dronk zichzelf elke avond in slaap.” Deze informatie grijpt me naar de keel. Ik ben even uitgevraagd.

Later vergezelt Mi young me naar de dokter wegens mijn aanhoudende huiduitslag. Onverwachts komt ook mijn vader opdagen. Als mijn zus staat te overleggen met de assistente duwt hij me ineens een papieren cadeautasje in handen. Ik protesteer. Maar hij legt zijn vinger op zijn lippen en gebaart dat ik er niemand iets over mag zeggen. Niet wetende wat te doen, stop ik het in mijn tas. Op de wc pak ik het uit. Er zit weer een envelop in, dit keer met een paar honderd dollar en een klein, vierkant fluwelen doosje met drie smalle gouden ringen.

Op de terugweg van de dokter heeft Mi young woorden met mijn vader over zijn stiekeme gedrag. Als hij weg is barst ze in tranen uit. „Vader heeft veel geheimen die pijnlijk zijn voor mijn moeder. Hij was altijd weg voor zijn werk, mijn moeder was gewoon te goed van vertrouwen.” Nu begint me iets te dagen. Na wat doorvragen blijkt: er waren meer vrouwen. Ik snap nu ook waarom de vrouw van mijn vader eerder zo heftig begon te discussiëren met mijn vader. Dat ging niet alleen over het huwelijk met mijn moeder.

Ik wil helemaal niet betrokken worden bij de „vele geheimen” van mijn vader. Als Dong eon later arriveert, geef ik hem het pakketje en vraag of hij het terug wil geven. „Hij wil iets goedmaken” legt mijn broer uit. Dat snap ik, maar „hij kan niet aan de gang blijven”, zeg ik.

 

Samen met een vriendin, die me in Seoul een weekje gezelschap is komen houden, ga ik langs bij het weeshuis waar ik een half jaar gewoond heb. Het ligt in een van de verste buitenwijken van Seoul, meer dan een uur met de bus van het centrum, aan de rand van een nationaal park met weer een geweldig uitzicht op de bergen.

Sociaal werkster Kyeong Suk Lee geeft ons een rondleiding. Ik zie de kleine kinderbedjes staan en stel me voor dat ik hier heb rondgehobbeld. Raar. Het weeshuis wordt sinds een paar jaar niet meer gebruikt om kinderen op te vangen, alleen nog om adoptiekinderen die terugkomen informatie te geven. Dat gebeurt wekelijks, vertelt Suk Lee.

Ze informeert naar de ontmoeting met mijn vader. Ik vertel dat ik het zo opmerkelijk vind dat mijn tante mij heeft kunnen laten adopteren. Zij zegt dat dat in die tijd niet zo vreemd was. „Als je tante zei dat je vader ermee instemde, was het geen probleem. De voogdij ging in die tijd bovendien automatisch naar de vader, de rol van de moeder was al uitgespeeld.” Aha, denk ik. Nu snap ik ook waarom mijn moeder niet terugkwam voor mij, dat was niet eens im Frage.

Ze vervolgt: „Als je tante hem niet verteld heeft waar ze je heen had gebracht, wist hij waarschijnlijk niet waar hij je moest zoeken. Er was geen centrale registratie van weeskinderen.” Samen bladeren we door mijn dossier. Het valt me nu opeens op dat er op de adoptiepapieren geen handtekeningen staan van mijn ouders. Alleen van de directeur van het weeshuis en de sociaal werkster die het rapport heeft opgesteld.

 

Suk Lee wijst erop dat de aanvankelijk opgegeven naam van mijn moeder niet klopte, wat ik al eerder had gehoord. Nu valt het kwartje: ook dat heeft mijn tante waarschijnlijk expres gedaan om maar zoveel mogelijk dwaalsporen te creëren. Wat een portret, denk ik. Als ze nog had geleefd, had een bezoekje aan haar zeker op mijn programma gestaan.

’s Avonds ga ik met Dong eon en Mi young eten. Herinneren zij zich deze tante nog, vraag ik. „Ze was erg oud, al toen wij nog kinderen waren.” Wat vonden ze van haar, was het een leuke tante? Dong eon doet er het zwijgen toe, wat mij een ‘nee’ lijkt. Mi young denkt even na en zegt dan: „Ze was erg dominant. Erg dominant.” Het is duidelijk. Mijn vader kon waarschijnlijk niet tegen zijn tien jaar oudere zus op. Ik kan me steeds beter voorstellen hoe mijn adoptie is gegaan.

Sinds ik terug ben vragen mensen of het goed is dat ik gegaan ben en of ik er per saldo een positief gevoel aan heb overgehouden. In mijn ogen doet dat er weinig toe. Als je vragen gaat stellen, krijg je nu eenmaal niet alleen de wenselijke antwoorden te horen. Ik heb een aantal zaken ontdekt die ik uitermate moeilijk en pijnlijk vond. Maar ik heb er onverwacht leuke familie bij gekregen.

Vaak hoor je van geadopteerden die teruggaan dat het tegenvalt, dat ze niets voelen bij het zien van hun ouders. Dat het vreemden zijn. Daarom had ik van tevoren geen enkele verwachting. Toch voelde ik onmiddellijk een klik met mijn broers en zus. Het contact met hen is van een comfortabele ongedwongenheid en vanzelfsprekendheid. Ze geven me op een niet-nadrukkelijke manier het gevoel dat ik erbij hoor. Dat ik me niet sterker, succesvoller, aardiger en leuker hoef voor te doen. Maar dat ongeacht wie ik ben, ik een van hen ben. Onvoorwaardelijk.