Dring ons de smaak van al die Bekende Nederlanders niet op

Als media en musea in één ding op elkaar lijken dan is het in de ongegeneerde jacht op kijk- en bezoekcijfers. Geen wonder dus dat ze elkaar vinden in het Pop-up museum van DWDD. Waarom zou iemand geïnteresseerd zijn in de keus die tafelheren als Jan Mulder en Pieter van Vollenhoven maken uit de depots van het Groninger Museum en het Rijksmuseum? En waarom moet daarvoor een half Cultureel Supplement worden ingeruimd (NRC, 29 jan.), waarin Daan van Lent uitlegt dat daardoor de collectie Nederland beter zichtbaar wordt gemaakt en dat levende kunstenaars als ‘verborgen kunstenaars’ worden ontdekt? En waarom moet het Mondriaanfonds dit feestje betalen? Van Lent eindigt zijn entree met de stelling dat nog meer kunstenaars hun ooit aangekochte werken kunnen terugzien als dit een succes wordt, en de retorische vraag: „wie kan daar nu op tegen zijn?”. Nou, ik dus. Waarom moet ik kijken naar een bij elkaar geraapte tentoonstelling van de onsamenhangende keus van tien BN’ers die ik al nauwelijks kan vermijden als ik tv kijk? En wat is het volgende Pop-up museum? Alle boeren uit de tiende serie van Boer zoekt Vrouw? Laten musea ver van zulke platte succesformules blijven en doen wat ze horen te doen: tentoonstellingen maken van kunstenaars, kunststromingen of andere interessante onderwerpen. En laat het Allard Pierson Museum doen waarvoor het is opgericht: archeologische onderwerpen en vondsten laten zien. En laten die BN’ers van hun kunst genieten zonder mij hun smaak op te dringen.

    • Henk Slechte