Dictator haast

Iets opzoeken op internet gaat in meer en meer gevallen op een vruchteloze veldtocht lijken. Je wordt verwezen naar onderwerpen waarover je niets wilt weten, je wordt aan alle kanten van het scherm besprongen door reclame voor dingen die je nooit wilt hebben en terwijl je steeds fanatieker bezig bent moet je plotseling je mailadres en een wachtwoord invullen. Binnen een paar uur ontdek je dat je computer is gegijzeld en dat je een paar duizend euro losgeld moet betalen om hem weer vrij te krijgen. Of plotseling weigert het ding in alle standen. Een ICT storing!

Nog altijd gaan we er, althans theoretisch, van uit, dat alles waarbij we de techniek nodig hebben, van een leien dakje zal verlopen. Het is toen met de stoomlocomotief begonnen en nu hebben we de digitale communicatie. Bijna iedereen zit iedere dag op zijn laptop te tikken, stuurt bijvoorbeeld een mailtje met tekst en foto’s naar familie in New York. Een jaar of twintig geleden schreef je een brief, plakte er postzegels op, je had intussen het filmpje laten ontwikkelen en na een week was de hele zending ter plaatse. Dat duurt nu een paar minuten. En het eigenaardige is dat we nog niet tevreden zijn. Het moet sneller kunnen.

In 1955 heeft een oudoom van mij, H.J.A. Hofland, een boekje geschreven, Geen tijd, op zoek naar oorzaken en gevolgen van het moderne tijdgebrek. Vooral de leidende klasse had er last van. Directeuren kregen de manager’s disease. Misschien is die vervangen door de burn-out, maar daar gaat het nu niet om. Het eigenaardige is dat we meer gebrek aan tijd krijgen terwijl we alles sneller doen en het dus nog sneller willen. Ook al geen nieuw verschijnsel.

In 1979 kwam Herman van Veen met een liedje dat snel een tophit werd. „Opzij, opzij, opzij”, zo begint het. Ik wilde de hele tekst lezen, raadpleegde Google. Het eerste wat ik las was: 770.000 resultaten in 0,33 seconden.

Niet mis! En daar was de tekst. „Maak plaats, maak plaats, maak plaats. Ik heb een ongelofelijke haast, want ik ben haast te laat. Ik heb maar een paar minuten tijd” enz.

Wie alles steeds sneller wil doen heeft haast, tekort aan tijd voor andere dingen die niets met het gestelde doel te maken hebben. Hij heeft zich onder zijn eigen dictatuur gesteld en dit gaat weer samen met een verandering van zijn gedrag De toegankelijkheid en verdraagzaamheid nemen af.

Menno ter Braak begint zijn essay ‘Van oude en nieuwe Christenen’ (1937) met een dialoog.

Gijsbertus. Stoor ik je? Ik. Integendeel. Ik was aan het werk. Gijsbertus. Is dat niet een bedenkelijke paradox? Ik. Voor degenen, die in het werk de afwikkeling zien van een systematisch georganiseerde verrichting, ja. Maar mij komt het voor, dat een onderbreking bijna altijd een aanwinst betekent; men wordt gedwongen zich aan de rechtlijnigheid van zijn programma te onttrekken, men wordt afgeleid (...).”

Ter Braak zag die afleiding als winst.

Zoals iedere dictatuur gaat die van de haast gepaard met onverdraagzaamheid. Opzij! Krijg de pest met je tegenspraak. Dat heeft Herman van Veen goed begrepen. En nu vraag ik me af in hoeverre deze onverdraagzaamheid besmettelijk is. Een algemeen ongeduld is langzamerhand tot de omgangsvormen doorgedrongen. Vrijwel elke dag lees je dat een groepje jongeren een leeftijdgenoot in elkaar heeft geslagen. En dat hebben ze dan nog relatief zachtaardig aangepakt. Soms komt het een schiet- of steekpartij. Steeds meer jongeren zijn bewapend. Een wapen is een bewijs van radicaal ongeduld. In de omgangsvormen is die poespas van het u zeggen verdwenen. Het is allemaal jij en jouw geworden. En het kan aan mij liggen maar ik heb de indruk dat de meeste beroepsmensen van de radio steeds sneller zijn gaan spreken.

Waar moet het heen? Onze uitvinders hebben de algemene beschavingsapparatuur steeds sneller gemaakt, en uitvindingen hebben de eigenschap zichzelf voortdurend te verbeteren. Dat wil zeggen, behalve de oeruitvinder, het genie dat iets totaal nieuws heeft bedacht, bouwt iedere uitvinder verder op het werk van zijn voorganger. Het dagelijks leven zal in steeds hoger tempo geleefd worden. Op het ogenblik is er geen andere conclusie.