De zeven zeeën in brekende ogen

Joyce Roodnat

Over smokkelpaadjes, Paul Nassenstein, Michiel de Ruyter, Bianca Stigter.

Alles in de schilderijen van Paul Nassenstein is klein. In museum Waterland in Purmerend bekijk ik zijn minieme figuurtjes. Ik kijk twee keer want ik weet dat Nassenstein ze onder een vergrootglas schilderde en zie inderdaad hoe wonderlijk gearticuleerd ze zijn. Gezichtsuitdrukking, body language, de snit van pak of japon, ze betekenen iets zodra ik achteruit stap. Dan dringt de omvang van de ruimte om hen heen tot me door. Enorme lemen theaters, met hoeken en valluiken. Soms hangt Nassenstein er witte walvissen in. En die mensjes? Dankzij de route van dat godenperspectief besef ik waar Nassenstein het over heeft: over onverstoorbare geweldenaartjes.

Alles in de film Michiel de Ruyter is groot. De zeeslagen, het gekonkel, het gepeupel, het geweld. En Michiel zelf is het allergrootst. Frank Lammers speelt ’m als een Zeeuwse eigenheimer. Anderen noemen hem een held, zelf weet hij wel beter – waardoor hij nog meer held wordt. Om niet in al dat grote te verzuipen, grijp ik me vast aan het kleine. Aan het dienstmeisje in De Ruyters keuken die een ogenblikje Vermeers ‘Melkmeisje’ is. Aan de Engelse koning Charles II, een verfijnde hork die door Frans Hals geschilderd kon zijn. Aan Rutger Hauer als de bejaarde zeeschuimer Maarten Tromp. De film is nog maar nauwelijks begonnen of hij sneuvelt al, maar wat is hij magnifiek. In zijn brekende ogen blinken de zeven zeeën – waarmee de toon van de film is gezet.

Zulke details bieden tegenwicht tegen de grote bek die de film opentrekt. Ze zijn een soort smokkelpaadjes naar de menselijke maat van de geschiedenis, naar oogcontact met de zeventiende eeuw.

Sommige smokkelpaadjes worden formules. Ik ontdekte net een nieuwe, in een aflevering van Midsomer Murders. En bij nader inzien zag ik het ook al in de Nederlandse tv-serie De fractie: het smsje of whatsappje dat als een blokje tekst in beeld opduikt. Dat lijkt klein, maar het is een grote ontwikkeling. We hadden al zoiets, met de stem-aan-de-andere-kant-van-de-telefoon. Maar de smartphone en zijn berichtjes is sterk als het denkwolkje in het stripverhaal. Het betekent een nieuwe mogelijkheid om het publiek bij het verhaal te betrekken, als bondgenoot, medeplichtige, of machteloze getuige, en zal weldra in geen film of tv-serie meer ontbreken. Ik vermoed dat het op de een of andere manier ook in het theater zijn weg zal vinden (al zie ik nog niet hoe).

Het is een mooi moment als je merkt dat de technologie in de kunsten doordringt. Ik herinner me nog dat ik naar de komische thriller Jumpin’ Jack Flash ging. 1986. Ik ging voor Whoopie Goldberg. Onbelangrijke film, die ik allang vergeten zou zijn als hij niet de eerste was geweest waarin ik de computer een hoofdrol zag spelen. Hij was al de geheimenhacker die hij nu ook nog is. Dat was in 1986. Inmiddels is die computer in álle thrillers cruciaal, inclusief het behoudende James Bondgenre, en voorzien van een vast personeelslid: de briljante nerd. Is die nerd een mannetje dan is hij een knuffelbeer – pre-whizkid Radar uit M.A.S.H. is zijn oerversie. Is het een vrouwtje dan is ze contactgestoord – zie Lisbeth Salander uit de Millennium-reeks. De nerds zijn een soort stenografie, zie je ze, dan weet je in een oogopslag dat je in een thriller zit. Zoals je bij een palmboom plus wat zand op een podium automatisch denkt: onbewoond eiland.

De korte film die Bianca Stigter op het Rotterdamse filmfestival liet zien, heeft de sluiproutes die leiden naar de kern van een verhaal als onderwerp. Three Minutes Thirteen Minutes Thirty Minutes heet hij. Stigter krabbelt ermee aan drie minuten film uit 1938, vastgelegd door een Joodse Amerikaan in de Poolse provinciestad waar hij geboren was. Telkens opnieuw en telkens anders laat Stigter stukjes van die drie minuten zien. Het krioelt er van de mensen. Kinderen springen in en uit het beeld, mannen kijken nieuwsgierig de lens in (dat doen mannen allang niet meer). Vrouwen lachen (vrouwen lachen nog altijd zodra er een camera op hen wordt gericht). Doordat je beseft dat al deze levenslustige mensen binnen een jaar zullen zijn afgevoerd naar de concentratiekampen, wordt elk gezicht op zichzelf een korte afsteek. Naar een mensenleven. Naar een individueel verhaal. Naar de dood. Naar moord.

„Faces are traces” stelt Stigter vast. Gezichten zijn sporen, ze leiden naar deze mensen. Onuitwisbaar zijn ze, dankzij drie minuten film.

    • Joyce Roodnat