De nieuwe revolutionairen van Europa

Ze komen van links of van rechts, uit alle delen van Europa. Eensgezind zijn ze niet, maar ze spreken dezelfde taal van verzet tegen de elite en het Europese project. Ze zijn er trots op.

Een revolutionair wordt niet gemaakt door het T-shirt dat hij aanheeft, roept Pablo Iglesias tegen een plein vol strijdlustige Grieken in Athene. Het is oktober 2014, en de 38-jarige rijzende ster van de Spaanse politiek is op bezoek bij zijn twee jaar oudere Griekse vriend en geestverwant Alexis Tsipras, niet voor het eerst. In hemdsmouwen, zijn lange haren in een staart gebonden op de rug, rekent Iglesias op het plein in Athene af met extreemlinks getuigenisdenken. „De plicht van een revolutionair is niet jezelf op de foto te zetten met een hamer en een sikkel”, roept hij met zijn monotone stem. „Een revolutionair heeft de plicht te winnen!”

Hij begint over de noodzaak de beste economen en ambtenaren aan te trekken, om voorbereid te zijn op het landsbestuur. Straks gaan ze verkiezingen winnen, maar daarna, waarschuwt Iglesias, beginnen de moeilijkheden pas echt – dan moet verandering van de bestaande orde worden afgedwongen: de machtige orde van Wall Street, die niet van zulke verkiezingsuitslagen houdt. Tot die orde rekent hij Juncker, Merkel, zelfs Matteo Renzi, de centrum-linkse leider van Italië die het Brusselse bezuinigingsbeleid aanvecht.

Alexis Tsipras zit op het podium met een paar kameraden te luisteren. Na de speech knuffelt hij de Spanjaard. Als ze daar samen staan, arm in arm, vuist strijdbaar omhoog, zie je opeens goed waar ze vandaan komen: op de universiteit gevormde activisten, jarenlang gewend hun grote gelijk te halen in kleine zaaltjes met gelijkgestemde marginale denkers. Maar dat was vóór de eurocrisis, en vóór de jaren van bezuinigingen die vooral de bevolkingen in Zuid-Europa hebben teruggeworpen in welvaart.

Nu weten ze de geschiedenis aan hun zijde. De regering-Tsipras, roept Iglesias die middag op het plein, „zal de eerste zijn in een serie regeringen die de soevereiniteit en waardigheid van de volkeren van Zuid-Europa zullen herstellen”. Nu Tsipras inderdaad de Griekse verkiezingen heeft gewonnen, moet Iglesias zelf de volgende zijn, eind dit jaar of begin volgend jaar met Podemos – Spaans voor ‘We kunnen’ – de partij die is ontkiemd uit de Indignados-beweging van Spaanse jongeren zonder werk en perspectief. Volgens de peilingen zou Podemos nu de tweede partij van Spanje worden, ruim voor de centrumlinkse PSOE.

Het filmpje uit Athene is nog op internet te zien, en een Engelstalige, bewerkte versie van de rede van Iglesias staat op de Amerikaanse socialistische site jacobinmag.com. Het loont de moeite het te bekijken, al was het maar omdat het tafereel zowel exotisch als vertrouwd oogt. Goed, dit zijn Zuid-Europeanen, die zich vernederd voelen en klagen dat ze naar de ‘periferie’ van Europa zijn gedrukt. Dat is een sentiment om serieus te nemen – niet voor niets liet Tsipras deze week in zijn eerste optredens als Griekse premier weten dat hij best naar compromissen wil zoeken in Brussel, als hij en de andere Grieken maar niet worden „onderdrukt”.

Maar tegelijk zijn ze ook in- en in-Europees, zonder dat Zuid- erbij. Welke Europeaan kent niet van huis uit die almaar aanzwellende onvrede met het grote Europese project? Het chagrijn van Europa ontwikkelt zich overal, of het nu gaat om Sinn Féin in Ierland, de Ware Finnen of om Alternative für Deutschland van de Duitse econoom Bernd Lucke.

Je zag het deze week aan de wonderlijke waaier van instemmende reacties met de verkiezingswinst van Syriza. In Italië kwam het applaus zelfs van drie kanten tegelijk: van de linkse alliantie L’Altra Europa con Tsipras, de anti-Duitse Vijfsterrenbeweging van Beppe Grillo, en van Matteo Salvini, leider van de Lega Nord. Sinn Féin, succesvol in Noord-Ierland en in de Ierse Republiek, hoopt na Griekenland op een linkse „kettingreactie” tegen de Brusselse orthodoxie. De Franse Front de Gauche-voorman Jean-Luc Mélenchon voorspelt een links ‘domino-effect’. Maar in Frankrijk was ook Marine Le Pen, leider van het rechts-nationalistische Front National, „verheugd” over de zege van Tsipras. En Nigel Farage van het Britse UK Indepent Party (UKIP) kondigde aan dat het ‘pokerspel’ met Angela Merkel nu gaat beginnen.

Ook het ‘revolutionaire gevoel’ is niet exclusief van extreemlinkse afkomst. Kort na de aanslagen in Parijs, sprak PVV-leider Geert Wilders in het Algemeen Dagblad al van een aanstaande ‘revolutie’ in Europa – met verwachte stembuszeges voor onder meer het Britse UKIP dit voorjaar en Marine Le Pen in Frankrijk. Het Europese project is volgens Wilders een „voortdurende poging om de natiestaat op te heffen, en er een groot Europees geheel van te maken”. De „Europese burgers” willen dat niet meer, meent hij.

Het is een voorbeeldig geformuleerde overeenkomst tussen de anti-neoliberale Zuid-Europese protestpartijen en de anti-migratiepartijen en antibelastingpartijen uit het noorden: alle spelen ze in op frustratie onder kiezers dat ze niet meer zelf kunnen beslissen over de politieke richting die hun land neemt. De ingewikkelde netwerkstructuren en onderlinge afhankelijkheden die de politieke marges binnen de Europese Unie bepalen zijn hun te ongrijpbaar.

Dat geldt niet alleen de kiezers in het zuiden, die het hardst getroffen zijn door bezuinigingen. Ook in het noorden is er geen nationale verkiezing meer denkbaar die niet draait om de grote politieke vraag van deze jaren: wat willen we met Europa?

De meest in het oog springende tendens is dat centrumlinkse en centrumrechtse partijen hun speelruimte aan het verliezen zijn om de strijd daarover in onderlinge concurrentie uit te vechten. Het gefragmenteerde midden bepaalt het debat niet meer. Of je nu Cameron, Hollande, Renzi of Sigmar Gabriel heet: hoeveel verandering je ook belooft, het komt aan op compromissen in een speelveld van nationale, financiële, ideologische belangen waardoor het nauwelijks mogelijk is de koers van de Europese Unie wezenlijk bij te sturen – tenzij je bereid bent de boel op te blazen.

Het dreigen daarmee is de politieke taal bij uitstek van alle ordeverstoorders, van links en rechts. Ze praten graag over ‘verzet’ en ‘strijd’, ze benoemen (elk hun eigen) ‘vijanden’ die verslagen moeten worden: de ‘politieke elite’, ‘graaiende bankiers’, ‘Wall Street’, Brussel, buitenlanders (migranten, andere Europeanen). Hun favoriete stijlmiddelen zijn de provocatie en de overtreffende trap – niet alleen handig om in het nieuws te komen, maar ook ideaal om lekker subversief de grens van het denkbare voorbij het redelijke te leggen. Ze willen ook graag als ordeverstoorders worden gezien. Verstoorders van de consensusdemocratie met bijbehorend lauw, technocratisch debat waarin het compromis en de oplossingsgerichtheid al in elk statement moeten zitten.

Intussen vinden aanzienlijke delen van nationale electoraten dat aantrekkelijk genoeg om op ‘revolutionaire’ partijen te stemmen, van links of van rechts. In het Verenigd Koninkrijk kan Farage hopen dat UKIP ook zonder een stevige doorbraak in het parlement zijn agenda kan verwezenlijken: de Britten uit de EU. In Frankrijk wordt de mogelijkheid serieus dat Marine Le Pen ooit president kan worden, misschien al in 2017. Tot voor kort een ondenkbaar perspectief voor het Front National met zijn extreemrechtse aanhang en wortels.

Marine Le Pen weet heel goed waar haar kapitaal vandaan komt. Het zijn niet de naweeën van de aanslagen door moslimterroristen in Parijs deze maand – al kan ze profiteren van de koersverlegging die zij heeft doorgevoerd sinds zij het leiderschap heeft overgenomen van haar vader Jean-Marie Le Pen: het antisemitische profiel ingewisseld voor kritiek op de islam.

Haar grootste troef is de nu al jaren durende doemstemming onder Franse kiezers dat het niets meer uitmaakt of je nu links of rechts stemt: Hollande of Sarkozy, Chirac of Jospin of Mitterrand: alle leiders van centrum-links en centrum-rechts in de afgelopen decennia kozen altijd voor méér Europa en vóór de relatie met Duitsland. Ze hebben daarmee de facto afscheid genomen van de oude Franse politieke ijkpunten: nationale soevereiniteit en de vaste overtuiging dat politieke wil belangrijker moet zijn dan economische of internationaal-pragmatische overwegingen. Dat register bespeelt nu Marine Le Pen. Ze voegt naar hartelust de centrumrechtse UMP en de linkse PS samen tot ‘UMPS’.

Frankrijk is het enige economisch ‘zuidelijke’ land waar een rechtse populist domineert – die floreren verder tot nu toe het best in ‘noordelijke’ landen. Maar al die partijen, met hun ideologische verschillen en nationale eigenaardigheden, hebben één ding gemeen: zij trekken nu het idioom naar zich toe dat in de twintigste eeuw het succes bepaalde van de parlementaire natiestaat: ze beloven echte invloed voor je democratische stem, ze stellen dat politieke macht boven ongrijpbare internationale en economische noodzaak moet gaan en ze eisen zo het ‘ouderwetse’ begrip soevereiniteit op. Zo stoffen ze een politiek besef af uit de twintigste-eeuwse parlementaire democratie: je moet de heersende partij kunnen wegstemmen.

Dat verenigt hen verder niet. Wilders bijvoorbeeld stond niet te juichen bij de verkiezingswinst van Tsipras. Deze week twitterde hij een cartoon waarin premier Rutte bankbiljetten stond weg te draaien voor Griekenland. Tsipras de boeman.

Je zou het de paradox van de Europese ordeverstoorders kunnen noemen: ze verzetten zich tegen hetzelfde Europa, maar ze bedienen hun electoraat met tegenovergestelde argumenten. AfD-voorman Bernd Lucke illustreerde deze paradox deze week op zijn blog op zijn manier: hij geeft Tsipras groot gelijk in zijn pleidooi voor het kwijtschelden van Griekse schulden. Maar daar moet dan wel de consequentie uitgetrokken worden, vindt hij: Griekenland uit de euro.

Tsipras en Iglesias zien zichzelf juist als overtuigde Europeanen – zij willen niet de ontploffing van de EU, maar een andere koers: een sociaal, geen ‘neoliberaal’ Europa, in hun visie. Maar als Tsipras en zijn zuidelijke geestverwanten hun zin krijgen, zal dat het verzet van ‘extreemrechtse en nationalistische partijen’ in het noorden versterken, voorspelde Financial Times-commentator Gideon Rachman deze week. Anderen wijzen erop dat de Europese verbrokkeling één grote winnaar kent: de Russische president Vladimir Poetin, die onder zowel linkse als rechtse Europese ‘ordeverstoorders’ populair is.

Ook Tsipras kan kiezers teleurstellen, en in de meeste landen halen de klassieke middenpartijen nog altijd duidelijke meerderheden. Maar het is onwaarschijnlijk dat het aanhoudende Europese chagrijn opeens zal verdwijnen en niet tot grote veranderingen in Europa zal leiden. De nihilisten in de politiek hebben een businessmodel met toekomst.

    • René Moerland