‘Boosheid helpt als je tekent’

Willem verloor zijn collega’s bij Charlie Hebdo. „Ik snap dat niet, tekenaars die zeggen dat ze te emotioneel zijn om grappen te maken.”

Willem: „Die begrafenissen waren hard, ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen tegen die weduwen, dus blijf ik maar stil.” Foto Pierre Crom/ANP

Hij lijkt nog iets meer voorovergebogen te lopen dan gewoonlijk. Maar met vaste tred beent tekenaar Willem door de straten van stripstad Angoulême. Op iedere hoek komt hij weer iemand anders tegen die hij de hand moet schudden.

„Wat geweldig dat je er bent”, zeggen uitgevers, collega-tekenaars en stripjournalisten in koor. Steevast aan het eind: „Bon courage”, sterkte. „Oui”, antwoordt de tekenaar van Charlie Hebdo en Libération de ene keer grinnikend, de volgende keer bulderlachend. En vervolgt zijn pad.

Terwijl de ‘overlevers’, de achterblijvers in de redactie van het satirische weekblad, het niet opbrachten om naar het vermaarde Festival de la bande dessinée te komen, wilde Willem, de artiestennaam van de in Ermelo geboren Bernhard Holtrop, het niet missen. „Café Le Chat Noir, altijd gezellig”, zegt hij met een glas witte wijn in de hand. „Hier zijn mijn vrienden, hier zie ik werk van collega’s.”

De 73-jarige tekenaar was vorig jaar bovendien ‘président’ van het festival. Dat schept enige verplichtingen. Hij zit in een jury, wil bij een van zijn uitgevers een uurtje signeren. „Dan zegt zo’n mevrouw die net je boek gekocht heeft dat haar nichtje zo van peren houdt. Nou, dan teken je een peer in het boek. Daar leer je toch weer van, want wanneer teken je nou een peer?”

Of eigenlijk: dan werk je weer.

Want Willem werkt gewoon door. Altijd. Hij verloor bij de terreuraanslag in Parijs collega’s en enkele oude tekenvrienden – vooral met Honoré en Tignous had hij veel contact, minder met Cabu en Charb – maar het tekenen hield niet op. Dat is als ademhalen, zegt hij. Hij heeft voor Libération geen dag verzaakt. „Ik snap dat niet, tekenaars die zeggen dat ze te emotioneel zijn om grappen te maken.”

Het is precies de reden dat het verschijnen van het volgende nummer van Charlie Hebdo opnieuw enkele weken is uitgesteld, tot half februari.

„Ze zijn er niet klaar voor, hoorde ik toen ik vorige week op de redactie was. Ik vind: het werk gaat voor alles. Je wil die daders toch ook niet het gevoel geven dat ze gewonnen hebben?” Willem had zijn eigen bijdragen voor het nooit verschenen nummer van 28 januari al tien dagen terug ingeleverd. „Ik ben een werkpaard”, zegt hij.

Toch even terug naar „die dag”, naar 7 januari. Hij zat in de trein van Bretagne, waar hij op een piepklein eiland woont, naar Parijs, waar hij een pied-à-terre heeft. Redactievergaderingen van Charlie Hebdo woont hij „al jaren” niet meer bij: „saai” zijn die. Toen hij door de telefoon het nieuws over de aanslag kreeg, is hij naar de restauratiewagon gegaan. „Alleen daar mag je bellen, zie je. Uit beleefdheid heb ik toen ook maar een paar drankjes besteld.”

Boos was hij, en dat is hij nog steeds. „Boosheid helpt als je tekent”, zegt hij luchtig. Tegen wie de woede zich richt? „Toch tegen de jihadisten”, zegt hij bijna verontschuldigend. „Kijk, dat zijn jongens die niet veel hebben geleerd in hun leven, behalve dan over de islam, maar die begrijpen ze verkeerd. Het zijn in feite underdogs die tegen de blanken in Frankrijk in opstand komen.”

Vanaf die middag stond die telefoon niet meer stil, iedereen wilde hem spreken. Ook de politie trouwens. „Die stonden middenin de nacht met vier man voor de deur om me beveiliging aan te bieden. Het kostte nogal wat tijd om ze dat uit hun hoofd te praten. De recente geschiedenis, zei ik, heeft uitgewezen dat u als eerste wordt doodgeschoten.” Uiteindelijk gaven ze het op. „Stel je voor dat die mannen met je mee moeten naar het café en dan niets mogen drinken…”

Bij zijn vrouw, Medi, achtergebleven op het eiland, stond meteen de plaatselijke gendarme voor de deur. „Ook zij bedankte vriendelijk, maar ze kreeg wel een speciaal telefoonnummer waar ze in nood naartoe kan bellen.” ’s Avonds was er een kleine stille tocht op het eiland. Mensen liepen met ‘Je suis Charlie’-bordjes toen de vrouw van de bekende tekenaar passeerde. „Woedend werd ze. ‘Jullie hadden dat blad eens moeten kopen’, zei ze. Wat is ze toch geweldig.”

Dat brengt het gesprek op de heiligverklaring van het weekblad. Hoofdschuddend: „Al die nieuwe vrienden die we nu in de regering hebben en waar we normaal op spugen, elke aartsbisschop is nu Charlie.” De oplage van het laatste nummer is inmiddels ruim boven de 7 miljoen, een Frans record en het aantal abonnees is door de ‘solidariteitsabonnementen’ verachtvoudigd. „Die mensen weten allemaal niet wat ze in huis halen. Hopelijk hebben we ze weer snel voldoende beledigd.”

Een Nederlandse galerie, zegt hij, wilde een tentoonstelling van werk uit Charlie Hebdo maken, maar dat heeft hij afgehouden. „Voor niet-Fransen zijn de meeste tekeningen onbegrijpelijk. Dan blijven alleen de Mohammeds over, maar daarmee speel je mensen als Wilders in de kaart. Wij zijn tegen alle godsdiensten en niet racistisch.” Of hij zelf eigenlijk weleens Mohammed heeft getekend? „Geen idee, misschien is het weleens voorgekomen. Maar ik vind hem totaal oninteressant.”

Buiten klinkt door een van de vele luidsprekers voor de zoveelste keer een stem die waarschuwt voor de strenge veiligheidsmaatregelen op het stripfestival. „Wees bereid uw tas te openen”, zegt de stem. Bij iedere expositietent op deze editie van het festival worden alle bezoekers gefouilleerd, zelfs beroemdheden, ook Willem. „Bang? Nee, ik ben totaal niet bang”, zegt hij. „Die mannen hebben hun show nu wel gehad.”

Hij neemt een grote slok wijn.

„Mijn vrouw zegt dat ik cynisch ben. Ze heeft de etymologie van het woord opgezocht en kwam naar me toe: ‘Ja’, zei ze, ‘jij bent echt iemand die cynisch is.’ Maar ik denk dat ze dat niet erg vindt.”

Hij grinnikt weer.

„Op mijn leeftijd ben je gewend dat er mensen overlijden. Maar zoveel tegelijk? En op zo’n manier? Dat is natuurlijk onvoorstelbaar, dat zie ik ook. Die begrafenissen waren hard. Ik weet niet zo goed wat ik dan moet zeggen tegen die weduwen, dus blijf ik maar stil. Al die gemeenplaatsen...”

Willem valt stil, langer dan eerder tijdens het gesprek. „Godverdomme”, foetert Bernhard Holtrop opeens.

    • Peter Vermaas