Bertolli-jeepje voor de kleine man

Bas van Putten gaat met de Panda Cross naar een omgeploegd bos. Het kleintje maakt indruk als drekrijder.

Van offroad-achtigen met Cross in de naam gaan hier in principe alle alarmbellen rinkelen. Leugenaars zijn het, die aan de buitenkant beloven wat ze zelden kunnen: crossen. Cross verwijst bij deze simulanten niet naar modder. Het is steno voor het genrewoord cross-over, de als terreinwagen verklede burgerbak met stoere zwarte schermen rond de wielkasten en pseudo-aluminium pseudo-beschermplaten voor en achter tegen boomstronken en zwerfgesteente die hij in zijn civiele carrière nooit zal tegenkomen.

Een Citroën C4 Aircross, een Volvo Cross Country of een VW Polo Cross zijn ten enenmale ongeschikt voor het zware ploeg- en klimwerk. Als ze al vierwielaandrijving hebben, is het enige wat die auto’s kunnen een paardentrailer door een niet te zompig grasveld trekken.

Ik haat die auto’s. Ze staan voor een samenleving die van het echte leven een toneelstuk heeft gemaakt, die alle heroïek begraaft aan de vergadertafel, die vrije tijd benut om met een nep-Jeep cowboytje te spelen op het parkeervak van de Efteling. Jezelf voor lul zetten met het hele gezin, daar gaat dit over, God sta ons bij.

Maar de Panda Cross is anders hoor, zegt Fiat, deze heeft ballen. Zijn uiterlijk – lief karikaturaal hoog op de wieltjes, koplampen dreigend verpakt in een dik aangezette kunststof grille – geeft weinig hoop; het zoveelste fuifnummer. Anderzijds waren bij Panda’s vierwielaandrijving en een opgehoogde koets nooit voor de sier. De Panda 4 x 4 van de eerste generatie en de Panda Climbing van de tweede werden gebouwd om iets te kunnen. Tot mijn schoonste herinneringen behoort het oude, vale Pandaatje dat ik met een hoogbejaarde man achter het stuur in een winters Italiaans gehucht langzaam maar steady een steile helling op zag kruipen. Simpele techniek, pretentieloze presentatie; ik was verliefd. En volgens de fabriek doet mijn Cross, in het knalgeel dat Fiat deftig giallo birichino noemt, niet voor de kleine klimmer van mijn ansichtkaartgeheugen onder. Dit is het Bertolli-Jeepje voor de kleine man.

Laat maar zien dan. De omstandigheden konden niet gunstiger. Het bos waarin ik woon is een slagveld. De zandpaden zijn verwoest door bulldozers en vrachtwagens van houthakkers, lokale offroad-recreanten hebben diepe karresporen en complete modderbaden achtergelaten. Het heeft een week geregend; een nepper zal het in het Drentse woud vandaag niet redden.

Vakantiehuisjesbos

Ik neem het risico van een klein Waterloo. Ik rijd alleen en bij een vastloper heb ik dus niemand om te helpen duwen, al is een boer met trekker hier nooit ver weg. Met die twee roodgelakte sleepogen onder de voorbumper hebben we de kleine zo weer op het droge.

Met een draaiknop op de middentunnel zet ik hem in de offroad-stand. Mijn weg voert naar het vakantiehuisjesbos aan de rand van het dorp, waar het recreantenverkeer de zwaarste slagen heeft geleverd. Het is bar en boos. De wielsporen gaan tot een halve meter diep, de omgewoelde en opgevroren drek vormt kleine bergkammen langs de kraters. Mijn bezorgdheid over het doorzettingsvermogen van de tweecilinder turbomotor blijkt voorbarig. In de eerste of tweede versnelling ploegt de Panda door de drek alsof het niets is, licht glijdend maar niet uit zijn koers te brengen. Echt indrukwekkend wat dit kleintje kan.

Verder is het gewoon een Derde Generatie Panda zoals Fiat hem twee jaar geleden op de markt bracht. Binnen is hij meer dan vroeger ‘wat de jongens denken dat de meisjes willen’, een tortelnest met vakjes van een vrolijkheid die je nooit helemaal verlost van het gevoel dat de fabrikant je met een beetje flair en kleur heeft willen troosten voor je nette armoe. Achterin kon hij ruimer, maar de auto zelf is net zo’n uitgekookt gemiddelde van fijne eigenschappen als zijn voorganger: zit goed, rijdt goed, voelt goed.

Zijn achilleshiel zijn verbruik en gewicht. Met 1.090 kilo op de weegbrug moet de tweepitter hard en daardoor tamelijk luidruchtig werken om met een niet overbemeten 90 pk alle ballen in de lucht te houden. Vlijtig schakelen is vereist, omdat het Pandaatje pas rond de 2.000 toeren goed op gang komt. Boven die kritische ondergrens klinkt en trekt hij zo aanstekelijk uitbundig dat de verleiding van stevig doorpakken voortdurend op de loer ligt, met gevolgen voor een verbruik dat ik niet onder de 1 op 14 kreeg. Daar sta ik dan, half sceptisch, half verliefd. Misschien kunnen we samen oud worden in de Abruzzen.