Zorg om wie je lief zijn vult hoofd en hart

Bespottelijke aankondigingen van nieuwe wetenschappelijke Russische geschiedschrijving kreeg ik doorgestuurd van een bevriende slavist. Bijvoorbeeld een studie over de Krim, waarin beloofd werd dat de auteurs niet alleen de ‘civilisatorisch-inhoudelijke’ betekenis van de Krim voor de Russische geschiedenis uit de doeken zouden doen (zulk soort idiote termen waren het, verzekerde de vertaler), maar ook zouden getuigen „van de soevereiniteit en kracht van het nieuwe Rusland”.

De slavist in kwestie ontplofte zo ongeveer van verontwaardiging, maar ook van bezorgdheid om het politieke en wetenschappelijke klimaat van datzelfde nieuwe Rusland.

En niet alleen daarvan gaat een grote dreiging uit.

Na ‘de gebeurtenissen in Parijs’ kregen we alom op onze kop dat we niet geschokt genoeg waren, of verkeerd geschokt, of hypocriet geschokt, want waarom maakten we ons niet even druk over de Syrische bevolking, de moorden van Boko Haram, onze eigen asielzoekers, onze eigen schijnheiligheid.

Zulke kritiek treft altijd makkelijk doel, want inderdaad, je maakt je nooit voortdurend over iedereen en alles druk.

Eerlijk gezegd maak ik me vaak genoeg niet druk over het buitenland, hoe belangrijk ook, omdat ik er weinig aan doen kan, en ook omdat ik vaak vind dat ik de handen al vol heb aan dichtbije eigen moeilijkheden.

Waarom gaan die altijd zo verwend en bespottelijk klinken als het over de Grote Rampen gaat? Omdat ‘wij’ het hier reusachtig goed hebben. Maar dat wil niet zeggen dat iedereen het stuk voor stuk prachtig voor elkaar heeft. Ik denk vaker aan de ouders van de gehandicapte jongen die in de bijstand moet, dan aan Nigeriaanse dorpelingen.

De ouders van die jongen, stond in een interview met staatssecretaris Jetta Klijnsma, hadden gespaard om een huisje voor hem te kopen zodat hij bij hen in de buurt kon blijven wonen als hij het huis uit ging. Maar dankzij nieuwe regels krijgt die jongen geen arbeidsongeschiktheidsuitkering meer, maar bijstand. En dan mogen ouders niet helpen, want hulp heet dan ineens ‘bijstandsfraude’.

Van dichtbij zie ik helaas hoe moeilijk het is voor wie in de bijstand zit om zich te redden. De uitkeringsgerechtigden mogen steeds minder. Ze moeten steeds meer – nu bijvoorbeeld 350 euro eigen risico betalen van hun maandinkomen van 900 euro. En niemand mag helpen. Vrienden, broers, zusters, ze moeten dit maar aanzien want hulp bieden is een vorm van oplichting.

De bijstandsgerechtigde dient bovendien uit pure dankbaarheid papier te gaan prikken in het park.

Weet ik dan meteen hoe het wel moet? Nee. En het tobben gaat ook niet vooral uit naar hoe de maatschappij deze dingen beter kan regelen, maar naar de paar mensen die je kent en lief hebt en die in de penarie zitten.

Daar kun je heel veel aan denken en heel veel over tobben. En natuurlijk is het mooi dat mensen bijstand krijgen. En het zal wel verwend zijn om die regelingen ook als een soort gevangenis op te vatten, want in andere landen, denk aan de Syriërs, Russen, Nigerianen. Ja.

In een gedicht van Benno Barnard over het lezen van de krant met zijn buitenlandse rampen, las ik: „De doden (…) zijn niet echt,/ want zonder hun gezichten kan ik me niet/ herinneren dat ze verschillend zijn geweest.”Dat betekent geen ongevoeligheid ten aanzien van die anderen. Maar de dagelijkse zorg om wie je lief zijn, vult hoofd en hart. En tijd. En maakt ‘ver weg’ soms zo theoretisch. „Ik vouw vijf continenten op, tot ze zo plat zijn als een krant” schrijft Barnard. Het dagelijks leven kan nu eenmaal nogal egocentrisch zijn.

    • Marjoleine de Vos