Zelfportret van een generatie als lezer

De babyboomgeneratie leerde enerzijds dat de wereld vastgeroest en moreel geknakt was, maar ook dat hun werkelijkheid veelbelovend kon zijn. Welke boeken las die generatie om hun wereldbeeld te vormen?

Illustratie Ron van Roon

Babyboomers, de generatiegenoten geboren tussen 1945 en 1955, beginnen oud te worden. Langzaamaan verliezen ze hun leidende rollen in de maatschappij. Het lijkt, bijvoorbeeld, ondenkbaar dat die generatie nog een Nederlandse premier zal voortbrengen. Het Journaal telt niemand meer van zestig jaar of ouder, ze zijn voor een groot deel van het scherm verdwenen of naar Omroep MAX verdreven. Zelfs onze vorst heeft zich tot een veertiger verjongd, de leeftijd van de nieuwe lichting invloedrijken. De gemiddelde babyboomer denkt aan pensioen, aan de nieuwe rol van grootouder, opkomende lichamelijke nukken, aan een toekomst die steeds moeilijker lijkt te voorspellen.

En toch. Ze mogen dan niet meer zo vanzelfsprekend hun stem laten gelden in de publieke arena, uitgespeeld of afgeschreven zijn ze nog niet. Babyboomers bezetten nog altijd cruciale plaatsen in de samenleving. Hans Wijers, Frits van Exter, Roger van Boxtel, Mai Spijkers, Guusje ter Horst, Piet Hein Donner, Frits Abrahams, Gerrit Zalm, Francine Houben, Hans de Boer en Charlene de Carvalho-Heineken zijn maar enkele namen die laten zien dat deze naoorlogse generatie nog genoeg honken comfortabel bezet houdt. Ze zijn hoe dan ook een dankbaar onderwerp. Makkelijk te categoriseren, te veroordelen of te ridiculiseren.

Babyboomers konden profiteren van de kracht van het getal, een steeds maar stijgende conjunctuur, het uitblijven van oorlog. Rock-’n-roll, hippies, drugs en vrije seks. ‘Er zit iets ontluisterends aan mijn generatie’, schreef Gerrit Komrij meer dan tien jaar geleden in ‘Het verraad van mijn generatie’, zijn J’accuse tegen de ’68-ers.

Pim Fortuyn was een andere strenge beschouwer van zijn eigen leeftijdgenoten. De felheid van beide heren heeft iets onthullends, hun teleurstelling is van het kinderlijke soort, want een reactie op de verstoring van grote hoop en verwachting. Ze moeten zich werkelijk even beter hebben gewaand dan alle generaties die hen waren voorgegaan.

Bill Clinton

Voor mensen van mijn leeftijd (ik ben van 1975) zijn babyboomers onze ouders. Van huis uit ben ik niet bekend met het fenomeen. Mijn vader was te oud (1938) en mijn moeder net te oud (1944) en te exotisch (Indonesië). Ik geloof dat Bill Clinton de eerste persoon was die me voor het eerst werkelijk met deze generatie confronteerde.

Ook ik heb over babyboomers geklaagd. Dat ze de beste plekken te lang bezetten, elkaar constant de hand boven het hoofd houden, dat ze op een bezoedelde reputatie teren, slechte boeken schrijven, nooit echt links zijn geweest. Ambitie heeft altijd een vijand nodig. Maar nu de greep van die generatie verslapt, hoe dringend is het om ze nog zo te belagen? Mag er al in mildheid worden omgekeken?

Nu komt historicus Ronald Havenaar (1950) met het Babyboomboek, een beheerste bundeling boekverslagen van 36 fictie- en non-fictiewerken die het geestesleven van de babyboomer zou kunnen verklaren. In de inleiding legt Havenaar de spelregels uit: evenveel fictie als non-fictie, alleen Nederlandse boeken van toen levende schrijvers (‘trekken doorgaans meer aandacht dan oudere of buitenlandse titels’) en na elk hoofdstuk een ‘sterker aangezette noot van persoonlijke aard’ over de besproken werken. Havenaar erkent de vernauwende implicatie van zijn benadering, wanneer hij schrijft dat zijn boek over ‘de beter opgeleide bovenlaag van de “geboortegolvers”’ gaat, ‘het lezende deel van deze generatie’.

In zijn poging een basis te creëren schippert Havenaar tussen het particuliere en het universele. Aan de ene kant heeft hij boeken geselecteerd uit zijn eigen bibliotheek (‘Ik las vrijwel alles dat uitkwam en de aandacht trok’), maar tegelijkertijd wil hij meer bieden dan een individuele leesgeschiedenis; het Babyboomboek ‘pretendeert inzicht te bieden in de vorming van een generatie’.

Elk geselecteerd boek moet dus in zijn tijd populair zijn geweest en Havenaar laat niet na bij elke titel verkoopcijfers of het aantal herdrukken te noemen. Eigen ‘smaak en oordeel’ probeert hij niet te veel ‘op te dringen’. Havenaar wil historicus blijven, algemenere duiding nastreven. Begrijpelijk en waardig, maar wie zal werkelijk geloven dat voorkeur en toeval geen rol spelen bij een ‘boekenboek’ als dit? In Havenaars constructie krijgen persoonlijke obsessies hoe dan ook breder gewicht.

Ik besluit de dubbelzijdigheid van Havenaars keuze te volgen. Aan de ene kant het willekeurige, maar thematisch helder geordende leesoverzicht van een generatie, aan de andere kant het weifelende portret van Havenaar zelf. Om met die eerste loot te beginnen: wie lazen die babyboomers eigenlijk?

Nauwelijks tijdgenoten, dat is het eerste wat opvalt. Slechts twee auteurs zijn strikt genomen van Havenaars generatie (A.F.Th. van der Heijden en Geerten Meijsing), de rest is ouder tot flink ouder (Simon Vestdijk). Wat ze lazen, wat hen vormde, hoe ze dachten luidt de ondertitel van het Babyboomboek. Er zit een duidelijke honger in de boekenlijst naar kennis en inzicht over de naoorlogse Nederlandse geschiedenis, maar antwoorden moesten blijkbaar vooral gevonden worden bij de ideeën, gedachten en verhalen van schrijvers geboren in het Interbellum. Meer dan de helft van alle 36 auteurs (onder wie Harry Mulisch, Henk Hofland, Renate Rubinstein, Jan Foudraine, de gebroeders Van het Reve en Andreas Burnier) komt uit deze periode. Ze leveren de meeste boeken en oefenen dus de meeste invloed uit. Maar wat deze crisis- en oorlogsgeneratie wil zeggen is begrijpelijkerwijs verre van opwekkend.

Jan Wolkers

‘De sterk levende herinnering aan de crisistijd, de verstarde verhoudingen van de Koude Oorlog en de bekrompenheid van de jaren vijftig droegen bij aan een gevoel van benauwenis dat belastte en bedrukte’, schrijft Havenaar – en een blik op de titels van enkele hoofdstukken zegt genoeg: Stilstand, Bekrompenheid, Angst, Egomanie, Mythe, Provocatie, Demoralisatie. Van Jan Wolkers’ Terug naar Oegstgeest (1965) leerde de babyboomer over de beklemming van religie en de kilte van versteende omgangsvormen. Loe de Jong prentte in Voorspel (1969) de naoorlogse generatie in dat slapheid en conformisme Nederland al sinds de negentiende eeuw regeren, ook de bezetting heeft dit niet kunnen veranderen. Voor bepalende gedachten over de atoomdreiging zorgde Bert Röling met zijn boek Over oorlog en vrede. Problemen met het atoomtijdperk (1963).

Gelukkig was daar ook nog de mythomane Harry Mulisch die in Voer voor psychologen (1961), door zelfverzekerd gebruik van verdichtsel en illusie, tijd en geschiedenis naar zijn hand wist te zetten.

Ook in Jan Cremers Ik Jan Cremer, ‘een in romanvorm gegoten pleidooi voor een alomvattende bevrijding van het onderlijf’, mag het individu alles wat hem bedwingt overstijgen. Maar Mulisch en Cremer zijn slechts oprispingen. In het laatste deel getiteld ‘Verval’ ontnemen auteurs als W.F. Hermans en Anton Constandse met respectievelijk Nooit meer slapen (1966) en Geen morgenrood. Beeld en balans van onze eeuw (1975) de babyboomer de laatste hoop door in die boeken te benadrukken dat het met de mens niets was en nooit iets wordt.

Doordat Havenaar steeds heeft willen kiezen voor de meest representatieve boeken uit (vooral) de jaren zestig en zeventig, zal een lezer niet gauw een Geheimtipp aantreffen. Wat niet wil zeggen dat er niet af en toe verassende keuzes voorkomen in het Babyboomboek. Ik was blij om op De man met de witte das (1971) te stuiten, een van Godfried Bomans’ beste maar zeker niet beroemdste werken. Van Jaap Harten had ik nog nooit gehoord, maar zijn roman De getatoeëerde Lorelei (1968) die een ‘hoogstpersoonlijke fascinatie voor homo-erotiek koppelt aan de opkomst van het Duitse Nazisme’ moet ik toch eens in huis halen.

Boekenberg

Een thematische benadering zoals Havenaar die beoogt, roept vragen op. Moest er een chaotische boekenberg geordend worden of waren de thema’s het eerst geformuleerd en zijn daar ondersteunende boeken bij gekozen?

Ik merk dat ik steeds geïnteresseerder raak in het persoonlijke verhaal van Havenaar. Het Babyboomboek telt vier delen en elk deel sluit hij af met een hoofdstuk waarin hij ingaat op zijn individuele band met de uitverkoren publicaties. Havenaar beschrijft vaak het moment waarop hij een bepaald boek voor het eerst opensloeg. Over Terug naar Oegstgeest: ‘Toen ik dit boek voor het eerst las, was de sfeer van beklemming voor mij herkenbaar.’ Dat is wat boeken voor Havenaar doen, ze bevestigen vermoedens, verklaren omstandigheden, ze dienen om gevoelens te verhelderen, beklemming te beheersen.

Wat voor babyboomer blijkt Havenaar zelf? Zelden is hij werkelijk openhartig – zijn keuze voor De getatoeëerde Lorelei blijft opvallend verstoken van een persoonlijke noot – maar via allerlei omwegen communiceert hij voldoende om hem nader te duiden. Een slimme jongen uit een middenstandsgezin die door te studeren gebruik heeft weten te maken van de toegenomen sociale mobiliteit. Iemand die veel heeft meegekregen van de pieken van zijn tijd zonder zich al te veel te laten meeslepen. Hij heeft veel gezien, veel bezocht en gelezen, maar altijd is hij een toeschouwer gebleven, iemand die daardoor zonder al te veel last van het verleden kan leven, de ideale tijdgenoot voor zoiets als het Babyboomboek.

Havenaar staat zich een rehabilitatie toe (Loe de Jong) en een afrekening (Jan Foudraine). Boeken geschreven door vrouwen kunnen hem duidelijk minder overtuigen. De verhouding is een op twaalf, de grootste naoorlogse vrouwelijke auteur, Hella Haasse, noemt hij nergens. Emmy Groeneveld, een van zijn oude leidinggevenden, roemt hij om ‘de wijze waarop ze haar charmes combineerde met competentie en gestrengheid.’ Kwalificaties die hij niet in zijn hoofd haalt om een voormalige mannelijke superieur, Loe de Jong, bijvoorbeeld, te beschrijven.

En zo is het Babyboomboek toch iets meer dan een droog overzicht van populaire boeken van veertig, vijftig jaar geleden. Havenaar blinkt niet uit in gedachten over literatuur (‘Romans kunnen je de werkelijkheid doen vergeten’), stijl geeft hij nauwelijks aandacht. Belangrijker is het dat hij boeken kan gebruiken om babyboomers psychologisch te duiden, om begrip en sympathie op te wekken voor deze ‘stuurloze generatie’.

Onheilspellend

In zijn inleiding stelt hij dat de beïnvloedbare, vormende jaren bij een mens tussen zijn achttiende en 28ste liggen. Toch voelt het onheilspellend dat babyboomers lijken te stoppen met lezen in 1981, verschijningsjaar van het recentste opgenomen boek, Bezonken Rood van Jeroen Brouwers. Die afbakening versterkt het idee van de ontmoedigde geboortegolver dat Havenaar propageert. ‘De leden van deze generatie werd ingeprent dat de wereld vastgeroest en moreel geknakt was. Maar ze kregen ook te horen dat hun werkelijkheid fris en veelbelovend kon zijn. Die tegenstrijdige indrukken leidden tot een verscheurd wereldbeeld.’

Blijkbaar hebben ze die verscheurdheid niet willen temperen of oplossen door verder te lezen, beïnvloedbaar te blijven, om meer boeken van tijdgenoten tot zich te nemen of zelfs van auteurs van een jongere generatie. Te oud, te zelfvoldaan of teleurgesteld geworden om niet meer actief deel te nemen, om niet meer te willen leren. Een beangstigend maar niet ondenkbaar voorland. Welke generatie aan het einde van haar krachten is nu werkelijk begaan met de wereld die zij achterlaat?

    • Gustaaf Peek