Tinkelen

Na een vermoeiende zakelijke lunchafspraak die tot mijn grote irritatie toch niet ‘lunch-’ bleek te zijn, fietste ik rond een uur of twee ’s middags over de Kinkerstraat terug naar huis. Inmiddels had ik maagpijn van de honger. Het vooruitzicht dat ik straks thuis mijn BTW-aangifte moest gaan doen, maakte me nog chagrijniger. Ter hoogte van de HEMA barstte er een gigantische hoosbui los. Normaal laat ik me niet zo afschrikken door regen, „het is maar water”, zeg ik altijd tegen mijn peuter. „Ja maar het is nát water”, antwoordt hij dan standaard. Meestal mompel ik dan weer iets over „niet aanstellen” of doe ik alsof in plassen stampen een buitenkansje is. Maar vandaag had ik het ineens ook helemaal gehad met nat water. Met alles eigenlijk. Mijn oog viel op de ingang van De Hallen, waar ik sinds het prille begin in september niet meer geweest was. Gek genoeg dacht ik als eerste aan die fietsenstalling daar en daarna pas aan de Foodhallen. Het idee dat mijn fiets ook kon schuilen terwijl ik iets at, deed ’t ’m; ik gooide het stuur om en parkeerde in de ondergrondse fietsenstalling. Het viel me op hoe leeg die was, terwijl ik de laatste tijd steeds hoor hoe overdreven druk het in De Hallen is. Maar goed, het was een doordeweekse miezerige middag, ik kon me voorstellen dat veel mensen op dit moment andere dingen aan het doen waren. Hun BTW-aangifte bijvoorbeeld.

Het zal allemaal best dat het eten in De Hallen te duur is, dat het uitgaanspubliek ’s nachts geluidsoverlast veroorzaakt en al dat andere commentaar dat ik de laatste tijd in de plaatselijke media lees, maar zodra ik daar (droog!) liep, werd ik vrolijk, misschien omdat het me hier deed denken aan het Hackescher Hof in Berlijn: iets te hip, misschien iets te duur, maar sowieso gezellig en een beetje verborgen, exotisch. Ik voelde me op vakantie. Of nee, het was een ander gevoel, een die er dichtbij ligt. Toen ik een oproep van een opdrachtgever negeerde, herkende ik het van jaren geleden: de spijbelsensatie. Ineens sloeg ik voor ik bij het voedselgebied was zomaar rechtsaf de bioscoop in. Nog nooit in mijn leven ging ik in mijn eentje naar de film. Durfde ik niet. Maar nu, of het nou kwam door honger, stress (en werkontwijkend gedrag als gevolg daarvan) of gewoon door De Hallen zelf, ik kreeg nu beslist iets baldadigs. Dit was het moment. Nu. Als ik er te lang over ging nadenken, zouden plichtsbesef en schaamte me weer naar huis sturen.

Ongeduldig keek ik op het filmoverzicht. De eerstvolgende die draaide was Wiplala, een film over een klein pratend mannetje dat niet zo heel goed kan toveren – pardon: ‘tinkelen’. Leeftijdwijzer 6+. Quasi nonchalant bestelde ik op deze onbeduidende januaridag één kaartje voor deze ‘kerstfilm voor het hele gezin’. Ik vertikte het om mijn opstandige bui als een regenwolk te laten over drijven.

Bij de bar haalde ik popcorn om eindelijk mijn honger te stillen. „Wil je er Fristi bij?”, grapte de barman. Ik vroeg koeltjes om appelsap. En om het bonnetje natuurlijk.