Sixties-musical zoekt happy end

Foto raymond van Olphen

Origineel is het niet. De jongen die wordt teruggekatapulteerd in de tijd om zijn ouders zo ver te krijgen dat ze het met elkaar doen – en hem dus het leven schenken – kennen we al van Back to the Future. Maar zo’n idee zou natuurlijk ook een goed vehikel kunnen zijn om de mooiste liedjes van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh in een musicalcontext te plaatsen. Als het verhaaltje maar vindingrijk en geestig genoeg wordt uitgewerkt.

Onder de groene hemel moet het zonder zo’n hechte constructie stellen. Als de pauze aanbreekt, is het meisje uit de provincie (Heemstede) allang zwanger van de hoofdstedelijke hippiejongen, waarmee het bestaan van de centrale figuur dus is verzekerd. En het verhaaltje eigenlijk al uit is. Na de pauze rest nog het probleem dat er een tijdelijke breuk tussen de jonge gelieven ontstaat, maar dat is uiteraard niet essentieel meer voor een happy end: de existentie van hun kind.

Zodat er van enige spanning al gauw geen sprake meer is. Te meer omdat Jimmy – zo heet de man die in 1970 werd geboren – nauwelijks een vinger uitsteekt om de gebeurtenissen in zijn voordeel te doen verkeren. Hij kijkt, loopt rond, zingt en geeft af en toe commentaar, maar de actieve inmenging die Back to the Future zo onderhoudend maakte, ontbreekt hier.

Koen van Dijk, die het script schreef en de voorstelling regisseerde, beeldt het Amsterdam van de late jaren zestig af als magies sentrum, zoals het in de hippe spelling van toen werd genoemd. Maar hij verheelt niet dat de idylle van de wereldverbeteraars uiteindelijk verkruimelde. En hij poneert met succes de grappen waartoe zo'n terugblik met de kennis-van-nu een kans biedt. Zoals de conservatieve vader van het meisje zegt over de soliditeit van de NMB: „Echt zo’n bank die over honderd jaar nog bestaat”.

Veel minder geslaagd is daarentegen de manier waarop de bestaande nummers in de intrige zijn geplaatst. Als het meisje, dat Barbara heet, de bijnaam Babbe krijgt, is dat een zwak excuus om later in Malle Babbe uit te barsten. Bovendien doet het raar aan om een jongen die wars is van zoiets burgerlijks als het huwelijk, in Elégie prénatale te horen zingen dat hij getrouwd is omdat zijn vriendinnetje zwanger is. Terwijl het cynische Testament hier ten onrechte de klank van een lieflijk liedje heeft gekregen. Wat evenmin helpt, is dat geen van de spelers in staat is de serene zang van Boudewijn de Groot te doen vergeten. De hoofdrolspelers René van Kooten, Sophie Veldhuizen en Thomas Cammaert hebben elders allang bewezen dat ze in het musicalgenre tot de besten behoren, maar de nummers van De Groot en Nijgh vergen misschien een heel ander talent. En een veel betere dictie dan ze nu laten horen. Heel even klinkt er iets van het originele geluid door als bandleider Marcel de Groot – zoon van Boudewijn – met zijn onderkoelde stemgeluid een paar regels solo zingt. Ja, daar zijn de precisie en de scherpte die in de andere liedjes zo vaak ontbreken. Twee uitzonderingen zijn Anne-Mieke Ruyten en Jan Elbertse als de christelijke ouders van het meisje, die hun dochter niet graag naar het Sodom & Gomorra van Amsterdam zien gaan. Hun scènetjes zijn pareltjes van finesse en puntigheid tussen de nogal lang uitgesponnen taferelen die de anderen te spelen hebben. Een hoogtepunt is hun beurtzang in De seksuele voorlichting en Beneden alle peil. Daar ontstaat een mooie verstrengeling van twee bestaande nummers – een verrassing die verder veel te vaak ontbreekt.

    • Henk van Gelder