Poëzie

De eerste keer dat ik me welkom voelde in deze stad dank ik aan een vuilniswagen. Ik stond voor een getralied raam op de Noordsingel uit te kijken, terwijl achter mij iemand naar een stropdas zocht. Een stropdas voor bij de slobberbroek en het enorme overhemd dat ik droeg.

Een ‘voorlopig uniform’ noemden ze dat in Het Huis Van Bewaring. Na de rondleiding door het gebouw mocht ik er, als kersverse bewaarder, alvast eentje gaan aantrekken op de zolder van het voorgebouw. Een schemerige ruimte waar ook oude wapenstokken lagen. En kerstspullen. En duivenlijken.

De collega die belast was met het verstrekken van de bedrijfskleding was een boomlange man van Surinaamse afkomst. Hij zag er uit alsof hij zou gaan huilen. In het algemeen, bedoel ik. Steeds dreven grote, dreigende regenwolken door zijn ogen. Op zoek naar een stropdas opende hij een kartonnen doos met het opschrift ‘restanten’. Daarna hield hij iets omhoog dat aan een overreden sok deed denken. ‘Nee,’ zei hij bedroefd. ‘Ook niet.’

Terwijl hij verder zocht draaide ik me om en keek door het kleine raam naar buiten. Het vroor die dag. Een lage, grijze lucht. Langs het water stonden ganzen te kleumen. Een tram reed langs op weg naar straten en buurten waar ik nog nooit geweest was. Wat doe ik hier, dacht ik. Wat moet ik in deze stad? Ik hoor hier niet.

Tijdens de rondleiding die ochtend had het me al geduizeld. Zoveel nieuwe gezichten, zoveel nieuwe informatie. Een man met een groot roze hoofd en heel veel strepen op zijn schouder had gevraagd waar ik vandaan kwam. ‘Uit Zierikzee meneer,’ had ik gezegd. Daarop had hij zich langzaam naar me toegebogen en me enige tijd onderzoekend aangekeken. ‘Zierikzee?’ Ik knikte. Daarop brulde hij keihard: ‘Er komt geen gore hond uit Zierikzee!’ Terwijl ik probeerde niet al te geschokt te kijken was hij in een daverende lach uitgebarsten, net als de mensen die bij hem stonden.

Bajeshumor, dacht ik toen. Geen idee had ik van de grappen, de hardheid, de warmte binnen de muren. Van zelfgemaakte roti en pestgeintjes tijdens de ramadan. Van iedere ochtend ‘hard voor weinig, nooit chagrijnig’. Daar op die zolder voelde ik me misplaatst. Een bange provinciaal in een veel te groot uniform. In een veel te grote stad.

Tot die vuilniswagen de hoek om kwam en alles tegelijk gebeurde. Achter mij viel een doos om, voor mij werden afvalzakken van straat getild, de ganzen staken luid gakkend de tramrails over en uit de hemel dwarrelde de eerste sneeuw van die dag. Ik las poëzie.

Nu wil ik natuurlijk niet beweren dat daarna alles makkelijker werd. Maar het was alsof ik vanaf de flank van die wagen bemoedigend was toegesproken. Eén dichtregel. En het werkte. Alleen in deze stad kan troost naar huisvuil ruiken.

    • Ester Naomi Perquin