NSDAP? Ik? Nooit lid geweest!

Veel jongens van de Hitlerjugend meldden zich in 1944/45 nog aan voor het lidmaatschap van de NSDAP. Martin Walser en Siegfried Lenz waren twee van hen. Vijftig jaar later hadden deze schrijvers het ‘vergeten’.

Leden van de Hitlerjugend en hetDeutsches Jungvolk bejubelen Hitler op de Rijkspartijdag in Neurenberg, in 1937 Foto Hollandse Hoogte

Hans Werner Henze (1926-2012) was een Duitse componist van muziek die de nazi’s beslist als ‘entartet’ zouden hebben bestempeld. Hiermee werd Henze ‘de vaderfiguur van de nieuwe muziek’, schrijft de Duitse journalist Malte Herwig (1972) in De laatste lichting. Niet alleen schreef Henze ‘goede’ muziek na WO II, maar ook leek hij al aan de goede kant te staan in het Derde Rijk waar hij opgroeide. ‘In zijn memoires heeft hij zichzelf afgeschilderd als tegenstander van het naziregime, dat hij als achttienjarige soldaat bij de Wehrmacht had gediend’, schrijft Herwig.

Maar zo eenduidig ‘goed’ bleek Henze drie jaar voor zijn dood toch niet. In 2009 ontdekte Herwig in het Bundesarchiv in Berlijn dat Henze nog in 1944 lid was geworden van de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP). Henze verklaarde eerst dat de partijkaart een vervalsing moest zijn. Later beweerde hij dat hij op 20 april 1944, de 55ste Führers Geburtstag, buiten zijn medeweten in de NSDAP was opgenomen als ‘verjaarsdagscadeautje aan Hitler’. Herwig maakt in De laatste lichting duidelijk dat dit onmogelijk was. Nooit werden in het Derde Rijk hele afdelingen van de jeugdorganisatie Hitlerjugend automatisch lid van de NSDAP. Alleen de beste leden van de Hitlerjugend – ongeveer 15 procent – werden toegelaten. Bovendien was een persoonlijk ingevulde en ondertekende aanvraag onontbeerlijk voor het verkrijgen van het partijlidmaatschap.

Henze was niet de enige Duitse jongeling die aan het einde van WO II nog lid werd van de NSDAP. Ook veel andere leden van het ‘politiek-culturele pantheon van het naoorlogse Duitsland’, onder wie de schrijvers Martin Walser en Siegfried Lenz en de langdurige FDP-minister van Buitenlandse Zaken Hans-Dietrich Genscher, meldden zich op 17-jarige leeftijd aan bij de NSDAP toen hun tijd in de Hitlerjugend erop zat. Günter Grass werd geen partijlid, maar wilde op een U-boot varen en kwam in 1945 uiteindelijk terecht bij de Waffen SS.

Verdringing

Met uitzondering van Grass, die in 2006 zelf bekende SS’er te zijn geweest, reageerden de leden van het culturele pantheon op soortgelijke wijze als Henze toen ze werden geconfronteerd met hun naziverleden: ze wisten er niets van en konden zich niet herinneren dat ze ooit een aanvraag hadden ingediend. Volgens Herwig gaat het hier telkens om verdringing, want, zo herhaalt hij keer op keer, zonder persoonlijke aanvraag geen lidmaatschap – daar waren de nazi’s heel strikt in.

De verdringing van het lidmaatschap is vergemakkelijkt door de onvolledigheid van het archief van de NSDAP. Uitgebreid beschrijft Herwig dat de nazi's aan het eind van de oorlog veel documenten en dossiers vernietigden. Ook de 10,7 miljoen kaarten van partijleden in München brachten ze op 18 april 1945 ter vernietiging naar een papiermolen buiten de stad. Maar de eigenaar van de molen saboteerde de vernietiging en verstopte ze allemaal onder oud papier. Niet veel later kwamen het complete register in handen van Amerikanen die het ten slotte, samen met andere nazi-archieven, onderbrachten in het door hen beheerde Berlin Document Center. Hier bleek dat slechts 600.000 aanvragen voor de 10,7 miljoen NSDAP-lidmaatschappen behouden waren gebleven.

De Amerikanen gebruikten de miljoenen partijkaarten om vast te stellen welke nazi’s bestuursfuncties mochten bekleden in het naoorlogse Duitsland. Iemand als prins Bernhard zur Lippe-Biesterfeld, die al in 1933 lid van de NSDAP was geworden, zou niet in aanmerking zijn gekomen voor een overheidsbaan in het nieuwe Duitsland. De Amerikanen beschouwden NSDAP-leden van vóór 1937 als echte nazi’s en de rest als meelopers die Duitsland mee mochten besturen.

Later, toen de Koude Oorlog was uitgebroken, verwijderden de Amerikanen de partijkaarten van belangrijke West-Duitse politici tijdelijk uit het register om te voorkomen dat bijvoorbeeld de DDR met onthullingen over hun verleden zou komen. Zo wist Genscher al in 1970, toen hij onder bondkanselier Willy Brandt minister van Binnenlandse Zaken was, dat zijn NSDAP-kaart zich weliswaar in het register bevond, maar veilig lag opgeborgen in een kluis. Overigens hadden ook veel politici en bestuurders in de DDR een naziverleden, zo laat Herwig lezen. Dat de DDR grondig gedenazificeerd was, noemt hij een mythe.

Grasduinen

Al omstreeks 1980 wilden de Amerika nen het NSDAP-register teruggeven aan de Bondsrepubliek Duitsland, maar politici als Genscher zaten daar niet op te wachten. De Amerikaanse beheerders gaven immers slechts weinigen toestemming om erin te grasduinen. De West-Duitsers traineerden de onderhandelingen en pas in 1994 ging het NSDAP-register over in Duitse handen. Toch zou het nog enkele jaren duren voor de onthullingen over het naziverleden van bekende politici en schrijvers goed op gang kwamen: het viel niet mee om uit de 10,7 miljoen kaarten de juiste te vissen.

Het fascinerendste deel van zijn boek over de jongste NSDAP-leden die hun stempel op het naoorlogse West-Duitsland hebben gedrukt, heeft Herwig voor het laatst bewaard. Hierin houdt hij zich verre van een moreel oordeel, maar gaat hij aan de hand van de boeken en lezingen van Günter Grass en Martin Walser na hoe hun verdrongen naziverleden een plaats kreeg in hun werk en hun opvattingen over ‘goed’ en ‘fout’ bepaalde.

‘Ieder mens wordt schrijver doordat hij niet mag zeggen wat hij zou willen zeggen’, is een citaat van Walser dat Herwig twee keer aanhaalt. ‘Walser, Wellersdorf, Jens, Henze, Genscher, Luhmann, Loest en hoe ze allemaal mogen heten, ze schreven, componeerden, deden onderzoek en bedreven politiek, ook als gevecht tegen hun eigen vergeten’.

Na 1945 werden de jongste nazi’s voorbeeldige democraten. Maar steeds leefden ze met de angst voor ontmaskering, ondanks het feit dat ze hun partijlidmaatschap hadden ‘vergeten'. Als ‘Flakwerkers’, jongens die moesten helpen bij het luchtafweergeschut, waren ze meestal te jong om te hebben deelgenomen aan de nazigruwelen. Maar hun partijlidmaatschap had ze tot ‘onschuldige schuldigen’ gemaakt.

    • Bernard Hulsman