Loeder neemt knappe leraar te grazen

Ruim twee jaar na zijn dood verschijnt opnieuw een roman, de ‘allerlaatste’. Die speelt in het onderwijs en doet in de verte denken aan de Deense dramafilm Jagten. Een meisje ondermijnt genadeloos het gezag.

Foto Thinkstock

Over Onbewaakt ogenblik, de roman die luttele weken na Bernlefs dood in 2012 verscheen, oordeelde deze krant dat het ‘een schitterende laatste improvisatie’ was, ‘gespeeld nadat de artiest het gebouw al had verlaten.’ Het boek werd aangekondigd als Bernlefs laatste, maar de schrijver blijkt als postume pianoman over een verdraaid lange adem te beschikken. Want na Onbewaakt ogenblik verschenen nog het ‘verslag en schouwspel’ Albert Speer. De ruïnebouwer, de degelijke verhalenbundel Wit geld, en nu dus, als we zijn vaste uitgeverij Querido mogen geloven, zijn ‘allerlaatste’ roman Een onschuldig meisje. Je hoeft geen kind te wezen om te weten dat er in die kwalificatie nog wel een beetje talige rek zit, dus wie weet wat er nog uit de boom komt vallen.

We belanden met Een onschuldig meisje in de wereld van het onderwijs. Een jonge docent, Jos Swinkels genaamd, ziet zichzelf in een soort Mees Kees-achtige positie geplaatst als hij groep 8 over moet nemen van een overspannen docente. De directeur die hem instrueert mag dan nog net geen Bint zijn, maar desondanks, Ordnung muss sein. ‘„Je netjes kleden”, adviseert deze Hiemstra. „Onopvallend, niet overdreven modieus, gewoon netjes. […] Kleding kan helpen bij het scheppen van de juiste afstand.” Verval niet in schooltaal of dialect. Laat je met „u” of „meneer” aanspreken.’

Dit is meteen een van de thema’s van deze kleine roman: het dilemma van het onderwijs, of de dynamiek ervan, draait allang niet meer om een Bintiaans klimmen van de leerling of het afdalen van de leraar, maar slechts om het in stand houden van de autoriteitsverhoudingen. De uitdaging van Swinkels bestaat er in beginsel dan ook niet uit om leerlingen te ontplooien, nee, het belangrijkste is dat hij voorkomt één van hen te worden.

Een vroegrijp meisje weigert zich bij de status quo neer te leggen. Bernlef presenteert het door haar georganiseerde verzet tegen Swinkels als autobiografisch: het is niet de leraar die niet deugt, het is de leerling die zichzelf met een coup verwezenlijkt. Ze krijgt hierbij woorden in de mond gelegd die, helaas, weinig aan de verbeelding overlaten. ‘Jos Swinkels belichaamde het gezag en dat moest worden ondermijnd, hoe knap hij ook was, hoe mooi hij ook vertellen kon, hoe modern zijn opvattingen misschien ook waren. Het moet omdat het van míj moet.’

Het zedelijke verhaal dat volgt vertoont veel affiniteit met het indrukwekkende Jagten, de film waarin men ook al zo plotseling genoeg had aan het woord van een kind om een mannelijke docent van pedofilie te betichten. Via een bochtje komen we hier aan bij bekende Bernlef-thematiek, namelijk die van de alomtegenwoordige verbeelding. En in het verlengde hiervan, de bereidheid om feiten op te blazen, om aan gebeurtenissen meer allure en bombast toe te kennen dan noodzakelijk. Swinkels weet maar al te goed dat hij zich hier ook als docent aan bezondigt; hij ziet zichzelf op de eerste plaats als een redenaar. Na een zwierig verteld oorlogsverhaal lezen we: ‘Ja, vertellen kon hij. Dat deed hij het liefst. Het reguliere onderwijzen deed hij er als het ware bij.’ En zo geeft hij de fakkel door, want ook de opstellen die de kinderen daarna zelf over de Tweede Wereldoorlog afleveren staan vol spectaculaire handelingen.

Zo bezien bevat Een onschuldig meisje tal van vonkjes waar een indrukwekkend vuur uit had kunnen groeien. In de handen van Bernlef is daar echter te weinig van terechtgekomen, want het is een, zowel in stijl als compositie, tamelijk voorzichtige omgang met licht ontvlambare materie. Er wordt voorgekauwd en voorspelbaar gemoraliseerd, en Swinkels’ slotopmerking dat hij even daarvoor ‘in het luchtledige’ zweefde kan door de lezer helaas niet anders worden opgevat dan als een verzinsel.

    • Sebastiaan Kort