Laat de haven toch varen

We moeten de haven en het arbeidersimago loslaten om nieuwe mensen naar de stad te trekken. Dat zegt Vincent Taapken als reactie op aanbevelingen van Wim Pijbes. Het gaat om de rivier als middelpunt, niet om een geforceerde hang naar het verleden.

Illustratie Viola Lindner

Het eerste containerschip in Rotterdam werd in 1966 door mijn vader ingeklaard en mijn beide ouders zijn direct aan de oevers van de Maas geboren. Je kunt wel zeggen dat de haven en rivier bijna letterlijk in mijn bloed zitten. Het is dan ook niet vreemd dat het pleidooi van Wim Pijbes – gebruik de rivier en de haven, de Maas is het stromende kapitaal van de stad – mij als muziek in de oren klinkt. Maar zijn de haven en de rivier echt nog zo belangrijk voor Rotterdam? Voor mij zijn de haven en de rivier twee verschillende dingen.

De haven zit historisch diep geworteld in de stadscultuur en mentaliteit. Ook is en blijft de haven een belangrijk symbool en de economische motor van de regionale economie als aantrekkelijke werkgever voor veel mensen in de stad. Maar met de recente opening van de Tweede Maasvlakte is de haven nog verder westwaarts gedreven en functioneert bijna als zelfstandige economie. Door schaalvergroting, automatisering en de grotere fysieke afstand van de stad is de haven een deel van haar romantiek verloren en in de stad steeds minder voelbaar.

De rivieroevers en binnenhavens daarentegen zijn door het verdwijnen van de havenactiviteiten juist steeds aantrekkelijker gebied geworden voor wonen, werken, cultuur en recreatie. Industrieel erfgoed, zoals oude pakhuizen en fabrieken zijn omgebouwd tot loft woningen, restaurants, hotels, theaters en een Food Factory. Minder scheepvaart in de stadshavens maakt het ook mogelijk meer bruggen aan te leggen, zodat er nieuwe verbindingen ontstaan tussen stadsdelen. De Wilhelminapier en Katendrecht zijn nu met elkaar verbonden. Hierdoor ontstaat een veelzijdige bestemming op de zuidoever, waardoor de rivier steeds meer het centrum van Rotterdam is geworden. Een derde stadsbrug tussen Feijenoord en Kralingen moet daarom op de agenda.

Er zijn ook steeds meer activiteiten en attracties op de rivier en in de havens. De geel-zwarte watertaxi is niet meer weg te denken, er worden zeillessen gegeven op de Rijnhaven en de ‘zwemmende bus’ is een opzienbarende verschijning naast de SS Rotterdam. Met speedboten kun je tegenwoordig River Adventures op Maas doen en in de oude vuilverbrandingscentrale spelen straks kinderen.

De Wereldhavendagen trekt ieder jaar nog veel mensen en de Onderzeebootloods op het RDM-Campus is een vaste locatie geworden voor muziek, dans, kunst en theater. Atelier Van Lieshout smelt de havenambacht om in kunst en Studio Roosegaarde nestelt zich in het Vierhavengebied.

Toch zit het imago van hard werkende mannen met opgestroopte mouwen en ‘niet lullen maar poetsen’ ons nog juist te vaak in de weg. Om de haven toch zichtbaar te laten zijn in de stad, wordt regelmatig te geforceerd geprobeerd de binding tussen haven en stad weer aan te halen; het Havenbedrijf worstelt met het aantrekken van jonge, hogeropgeleiden die willen werken in de haven en in de culturele sector is de associatie met arbeiders en lager opgeleiden nog steeds problematisch en niet echt sexy.

De wens van Pijbes om meer te doen met de rivier onderschrijf ik zeker. Maar ik pleit ervoor ons hierbij specifiek te richten op de verdere ontwikkeling van de rivieroevers dichtbij de bestaande stad. Het verleden van de haven is daarbij een belangrijk ingrediënt, maar geen doel op zich meer. Het gaat om de stad aan het water en de rivier als middelpunt, niet om een geforceerde hang naar een roemrijk verleden. Maak af wat al goed is en zorg voor meer verdichting, verbinding en (culturele) programmering op de routes naar en rondom het water. Zolang de westelijke looproute via de Schiedamsedijk tussen de Coolsingel en Erasmusbrug een saaie aaneenschakeling is van gesloten etalages, is er nog veel te doen.

De culturele sector is wat mij betreft niet afhankelijk van de haven. Zolang wij in de hoofden van veel mensen nog altijd als havenstad voor handel en commercie worden gezien, is het juist belangrijk de haven meer los te laten. Ik zou juist de stad sterker profileren als innovatieve rivierstad van architectuur, kunst & cultuur én culinair. Natuurlijk zit de haven voor altijd in ons DNA, maar Rotterdam zal zichzelf echt opnieuw moeten uitvinden om nieuwe creatieve mensen naar de stad te trekken en ze te binden en het arbeidersimago van ons af te schudden. Zo kan een nieuwe economie van toerisme, cultuur en hoogwaardige dienstverlening op gang worden gebracht. Juist dan zal Rotterdam de opgaande lijn kunnen voortzetten, dankzij de rivier en ondanks de haven!