Opinie

    • Raymond van den Boogaard

Hardvochtige integratie

Meer dan 300.000 immigranten waren het, de Indische Nederlanders die na 1945 tot in de jaren vijftig naar Nederland kwamen. Het heette ‘repatriëring’ maar in werkelijkheid ging het vaak om families die generaties in de kolonie Nederlands-Indië hadden geleefd. Ze vormden een zeer heterogene groep – naar huidskleur en sociale positie. Velen waren getraumatiseerd: van degenen die de kampen en dwangarbeid van de Japanse bezetting hadden overleefd, tot degenen die tot diep in de jaren vijftig in de onafhankelijke republiek Indonesië werden weggeterroriseerd. De meesten kwamen berooid in Nederland aan, en hadden hun sociale status verloren.

Nederland was toen veel armer dan nu, en had beduidend minder inwoners – zo’n tien miljoen. Toch zorgden de Indische Nederlanders, wier cultuurpatroon sterk afweek van dat in de Lage Landen, nauwelijks voor opwinding en opschudding – veel minder dan de immigratie van nu. Niet omdat de autochtone bevolking toen aardiger was dan nu, vrees ik. Wel meer gewend misschien – na de Duitse bezetting was deze immigratie het zoveelste probleem.

Een belangrijke factor was dat van de Indische Nederlanders volledige assimilatie werd verwacht, en verkregen. Nu Indië verloren was, werd vergetelheid de norm in het openbare leven. Indisch-Nederlands taaleigen, de Indische keuken, de herinneringen en de heimwee – die mocht je desnoods thuis of op een Pasar Malam in eigen kring beleven. Maar wie in Nederland een toekomst wilde opbouwen en niet als tweederangs burger door het leven wilde gaan, deed er goed aan zijn Nederlands-Indische identiteit zoveel mogelijk aan het oog te onttrekken. Verdringing was geboden en menige Indische Nederlander heeft daar een hoge psychische prijs voor betaald.

Pas rond 1980, toen Indische Nederlanders als groep in de samenleving niet of nauwelijks nog te onderscheiden waren, hebben twee cultuuruitingen het taboe op hun culturele identiteit doorbroken. Wieteke van Dort maakte voor de VARA-televisie De Late Late Lien Show, waarin de taal, de liedjes, de mentaliteit en vooral de humor van Indische Nederlanders werd geëtaleerd – soms tot lichte verbijstering van betrokkenen: dat zoiets mocht op de televisie! De tweede doorbraak was de roman Geen gewoon Indisch meisje van Marion Bloem, uit 1983. Bloem, in 1952 in Nederland geboren, geeft daarin een aandoenlijk beeld van de emotionele knoop waartoe Indische Nederlanders hun leven lang veroordeeld waren – tussen noodzaak tot aanpassing en verlies van identiteit. Nu toert Bloem door het land met een theatervoorstelling waarin zij uit Geen gewoon Indisch meisje voorleest.

De eerste generatie van deze immigranten is inmiddels hoogbejaard of niet meer onder ons. Er is eigenlijk alleen nog maar de tweede generatie van Bloem, die uit de eerste hand kan vertellen over de Indisch-Nederlandse denkwereld, die kan laten horen hoe merkwaardig zangerig de Nederlandse taal in zijn Indische versie klonk. Gelukkig kan de schrijfster dat heel goed. Nog een paar decennia, dan rest alleen het historisch gegeven van een geslaagde integratie – hardvochtiger dan ooit iemand voor de immigranten van nu zou durven bepleiten.

    • Raymond van den Boogaard