En maar leuteren, die schrijvers

De Vlaamse schrijver vertelt over een broer, een zus en een ijdele schrijver. Het resultaat is een metaliteraire roman die manmoedig groter probeert te zijn dan zichzelf.

Tekening Paul van der Steen

De boekverkopers werden bleek om de neus toen Yves Petry (1967) in 2011 werd gekroond tot winnaar van de Libris Literatuurprijs. Want De maagd Merino was A booksellers worst nightmare: een hoogliterair boek van een Vlaming waarin de ware liefde herenliefde bleek, die op de eerste pagina’s onherroepelijk werd geconsummeerd: man eet man. Voer voor de elite, niet voor de massa van boekenkopers.

Petry bleef ogenschijnlijk stoïcijns onder de opwinding, maar vier jaar later blijkt de spanning tussen commercie en artisticiteit precies een van de pijlers van zijn nieuwe roman, Liefde bij wijze van spreken. Hij verbindt die tegenstelling met de verhouding tussen heteroseksualiteit en homoseksualiteit en die tussen kunstmatigheid en authenticiteit. Het resultaat is een ideeënroman, die zijn schatten pas in tweede instantie prijsgeeft.

Over het verhaal kunnen we kort zijn. Het gaat zo: hoofdpersoon Alex Jespers is een schrijver die halverwege zijn loopbaan zijn kunstzinnige waarachtigheid heeft ingeruild voor de gunsten van het grote publiek: hij schreef een voor vrouwen op maat gemaakte draak van een roman met als titel De wonderbaarlijke violiste. Petry gaf de man enkele opzichtige trekken van Arthur Japin mee: diens initialen, een verleden als acteur, homoseksualiteit, het samenleven met een uitgever en warme belangstelling voor de Casanova-figuur.

Kafka

Deze Alex Jespers fungeert als verteller in Liefde bij wijze van spreken. De tekst die we lezen is zijn nieuwe roman, zoals hij die gaat inleveren bij zijn uitgever. Die constructie maakt de metaliteraire bedoelingen van Petry meteen duidelijk. Jespers’ manuscript bevat het verhaal dat hem in belangrijke mate gevormd heeft: zijn verhouding met Jasper en Kristien Fielinckx. Deze broer en zus hebben als scholier hun ouders verloren toen een van een viaduct schuivende bestelwagen de familie-Volvo verpletterde. Jasper zat net Kafka te lezen. In hun studietijd sluiten broer en zus beiden vriendschap met Alex. Jasper omdat hij meent dat hij verliefd op hem is, Kristien omdat zij moeder wil worden en Alex op het oog heeft als biologische vader.

Intussen laten broer en zus geen moment onbenut om elkaar bij Alex zwart te maken. Jasper vindt zijn zus onoprecht, Kristien stelt dat haar broer niet durft te rouwen om hun dode ouders. De driehoeksverhouding heeft verstrekkende gevolgen: het kind komt er, evenals zeer veel ruzie, verdriet en frustratie. Alex concludeert alras dat zowel broer als zus monsterlijke trekken hebben en er vallen enkele rake schoten.

Het zijn verwikkelingen die je eerder in een soapserie zou verwachten en dat geldt ook voor het gros van de dialogen: vooral Kristien (therapeute van beroep) en Alex voeren lange gesprekken waarin vermoedens en gevoelens expliciet worden benoemd, zowel die van henzelf als die van Jasper, die meent herboren uit het autowrak gekomen te zijn. Hij heeft al zijn illusies verloren, zowel zijn literaire ambities als zijn liefde voor vrouwen.

Petry laat zijn verteller dat allemaal zo precies uit de doeken doen dat het verhaal opvallend kitscherige trekken krijgt. Zo opvallend dat het je begint te dagen dat wat hij werkelijk wil vertellen veel verder reikt dan dit welbeschouwd wat suffe verhaaltje. Maar wat?

Duidelijk is dat Alex veel over het hoofd ziet. De hatelijkheid tussen broer en zus wordt zo breed uitgemeten dat je van de weeromstuit gaat denken dat die twee misschien wel samenspannen tegen Alex. Wat weer vragen oproept over het kind, dat de naam Vera Fielinckx meekrijgt – zij is inderdaad de enige in deze roman die waarachtige gevoelens in anderen lijkt te kunnen oproepen.

Waarachtigheid en oprechtheid (of eigenlijk het gebrek daaraan) zijn sleutelbegrippen. Wanneer Jasper heeft besloten nooit meer een roman te lezen, laat staan te schrijven, brandt hij los in een anti-literaire tirade die raakt aan de kern van Petry’s project: ‘De beste schrijvers zijn aanvankelijk wel iets op het spoor, maar vroeg of laat ontglipt het hen weer. Eerst is er iets wat hen aanzet tot schrijven, dat wil ik nog wel begrijpen, maar dan verjagen ze het met al hun geleuter, en daar kan ik niet meer tegen […] Al die verhaaltjes – in werkelijkheid zijn ze leeg. Wat ze aan ziel bevatten, heeft de lezer er zelf in gestoken.’

Jonge homo

Het is nogal een vonnis dat hier wordt uitgesproken en het blijkt dit vonnis van zijn vriend te zijn waartegen Alex zich zijn schrijversleven lang zal verzetten. Eerst door gewaardeerde maar onverkochte romans te publiceren over zijn onzekere jeugd als jonge homo, dan door zijn door de kritiek geminachte bestseller te schrijven en tenslotte door dat ene boek te maken dat echt uit zijn tenen komt – Liefde bij wijze van spreken, de roman die Yves Petry ons in handen heeft gedrukt.

Het is óók en vooral het boek dat ons moet leren wat Petry dan wel van literatuur vindt. Daar zit uiteindelijk weinig vrolijks bij. Tegen de achtergrond van de gedachte dat lezers paaien vergelijkbaar is met vrouwen het hof maken, komt er in Liefde bij wijze van spreken hoegenaamd geen liefde voor – afgezien van wat (pseudo-)ouderlijke gevoelens. Kristien en Jasper worden geschilderd als onaangename personages, Alex’ vriend Henk wisselt opportunisme af met sentiment en Alex zelf is een ijdeltuit die maar half beseft hoe egocentrisch hij is. Helemaal aan het eind van de roman zegt hij: ‘Nooit voelde ik mij meer schrijver’. In werkelijkheid heeft hij dan net een relaas afgeleverd dat niet alleen vol soapelementen en sentiment zit, maar waaraan bovendien niets echt is. Hij voldoet precies aan het verwijt van zijn oude vriend. Hij was misschien wel iets op het spoor, maar hij heeft het verjaagd met zijn geleuter. Als het verhaal van Alex één ding niet is, dan is het authentiek.

Daarmee heeft Petry de meeste heilige huisjes van de literatuur wel afgebroken: Liefde bij wijze van spreken is een boek zonder liefde, waarin alles onecht is. Zoals, ergens in het boek, de speer van een standbeeld op een bibliotheek niet van metaal blijkt te zijn, maar van hout – en breekt. Het is een symbolisch moment, dat aangeeft dat ook de literatuur het tenslotte aflegt tegen het echte leven. Zo heeft Petry een roman geschreven die te lezen is als een directe afwijzing van de romankunst, maar óók als een hommage aan het onvermijdelijke nep dat fictie nu eenmaal is. Het is een paradoxale verdediging van de pure verbeelding tegen allen die er eer mee willen inleggen of rijk van willen worden, die er liefde in zoeken of er een waarheid in denken te vinden.

Liefde bij wijze van spreken is een roman die van begin tot eind merkwaardig is, in lang niet alle opzichten geslaagd is, maar die op manmoedige wijze probeert groter te zijn dan zichzelf. Dat is een zeldzaamheid.

    • Arjen Fortuin