Eerst is er het leven, dan het ideaal

De grote Duitse dichter was de eerste intellectueel die Europa als uitweg zag voor extremisme, nationalisme en xenofobie. Zo blijkt uit Rolf Hosfelds Heine-biografie, die leest als een actueel essay.

Volgens Nietzsche behoorde Heinrich Heine (1797-1856) tot de weinige negentiende-eeuwse Duitsers wier optreden een Europese in plaats van een louter nationale ‘gebeurtenis’ mocht worden genoemd. Heines recentste biograaf Rolf Hosfeld geeft zijn boek als ondertitel: Die Erfindung des europäischen Intellektuellen. Was Heine dan de eerste Europese intellectueel? De Verlichtingdenkers waren hem toch voor?

Dat klopt, maar in de achttiende eeuw bestond er nauwelijks zoiets als nationalisme. Heine was de eerste intellectueel voor wie Europa de uitweg werd voor een nationalisme met chauvinistische en xenofobe trekken. En Europa vond deze Duitse dichter van joodse komaf in Frankrijk.

De ironie van de geschiedenis wil dat het Duitse nationalisme grotendeels een product was van het verzet tegen Napoleon. Met Napoleon had Heine een merkwaardige relatie. Hoewel hij zich in 1813 schijnt te hebben willen melden als vrijwilliger om tegen de Fransen te vechten, ontpopt hij zich in zijn herinneringen als een bewonderaar van hun keizer. In Das Buch Le Grand (1827) schrijft hij geestdriftig over de intocht van Napoleon in zijn geboorteplaats Düsseldorf, en de gevangene van Sint-Helena wordt zonder ironie afgeschilderd als een ‘wereldlijke heiland’ wiens laatste rustplaats het verdiende een bedevaartsoort voor alle volkeren te worden.

Begrijpelijk wordt dit bonapartisme als je weet dat Napoleon de Duitse joden had geëmancipeerd en dat veel Duitse nationalisten antisemieten waren. Hoezeer Heine zich misschien ook bij hen heeft willen aansluiten, als jood werd hij niet geaccepteerd. Ondanks zijn blonde haren en zijn christelijke doop in 1825 bleef hij een ‘buitenstaander’, een vreemdeling in eigen land, zoals Hosfeld betoogt.

Wat de zaak extra compliceerde, was dat het Duitse nationalisme vaak gepaard ging met liberale gezindheid. Ook Heine zag zichzelf als een liberaal, een vrijheidlievende geest. Vandaar zijn levenslange inspanning om waar nodig liberalisme en nationalisme van elkaar te onderscheiden.

Verboden boeken

Alleen met zijn poëzie wist hij alle tegenstellingen te overwinnen. Nog tijdens zijn rechtenstudie begon zijn succes als dichter. Ook als prozaschrijver, auteur van diverse delen Reisebilder, trok hij talloze lezers, al werden veel van zijn boeken in Pruisen verboden. Zijn vlotte stijl, geestig, melancholiek, gevoelig, pittoresk, kritisch en soms ook vilein, heeft nog altijd iets onweerstaanbaars. Heines gedichten doen denken aan popsongs, niet voor niets zijn ze zo vaak op muziek gezet.

Als prozaïst heeft hij iets van een columnist, altijd leesbaar en onderhoudend, wat hem trouwens kwalijk werd genomen door critici als Heinrich von Treitschke en Karl Kraus. Vanwege deze ‘feuilletonstijl’ vonden zij hem oppervlakkig. Dat was hij soms ook, getuige amusante maar niet overal even betrouwbare boeken als Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland (1834) en Die romantische Schule (1835), waarin uit de losse pols een uitermate partijdig beeld van de Duitse filosofie en romantiek wordt geschetst.

Beide boeken zijn samengesteld uit artikelen die Heine voor een Frans publiek had geschreven. Sinds mei 1831 woonde hij in Parijs, nadat het hem niet was gelukt in Duitsland een solide positie te verwerven. Hij werd een soort intermediair tussen beide landen, want voor de Duitse pers schreef hij vergelijkbare artikelen over het Frankrijk van na de revolutie van 1830. Daar dokterden republikeinen, democraten en socialisten aan een nieuwe toekomst voor de mensheid. Heine volgde het met grote belangstelling. In de emancipatie van de – allereerst Europese – mensheid zocht hij de oplossing voor het nationalismevraagstuk en voor de zowel bij links als rechts woedende jodenhaat.

Dat wil niet zeggen dat hij zich door sociale en politieke kwesties liet opslokken. Heine bleef altijd ook, en misschien wel op de eerste plaats, een dichter. Hij slaagde er alleen nooit in zich over te geven aan het l’art pour l’art-idealisme van vrienden als Théophile Gautier of Gérard de Nerval. Bij Heine is sprake van een voortdurende ambivalentie tussen poëzie, kunst, schoonheid aan de ene kant, en anderzijds een zich steeds weer in nieuwe gedaanten opdringend engagement. Hij verzette zich tegen een ‘Goetheaans indifferentisme’, dat zich alleen op de kunst richtte, maar bij republikeinen als Ludwig Börne kon hij de onverschilligheid en haat tegen poëzie, kunst en schoonheid evenmin uitstaan.

Politiek fanatisme zinde hem ook nog om een andere reden niet: het concrete leven hier en nu mocht niet worden opgeofferd als middel voor een wellicht imaginair toekomstig doel. ‘Het leven is doel noch middel; het leven is een recht’, schreef hij in 1833. Dezelfde bezwaren keren terug in zijn latere relatie met Karl Marx en het nog prille communisme. Enerzijds stond hij een politiek geëngageerd gedicht af voor het enige nummer van de door Ruge en Marx uitgegeven Deutsch-Französische Jahrbücher, anderzijds vreesde hij een toekomst waarin het communisme het voor het zeggen zou hebben. Voor zijn biograaf Hosfeld heeft hij nog het meest van een ‘vroege sociaal-democraat’. Daar zit wat in. Het is niet moeilijk om van Heine een actueel auteur te maken. De actualiteit zit in zijn ambivalentie tussen kunst en politiek, die in veel opzichten nog altijd de onze is. En zij zit in zijn hardnekkige verzet tegen de gevaren van het nationalisme en van het op totale wereldverbetering gerichte radicalisme.

De actualiteit rijst bijna vanzelf op uit Heines leven en werk, al is dat natuurlijk ook de verdienste van de biograaf en van de vele biografen die hem zijn voorgegaan. Dankzij hun voorwerk kan Hosfeld volstaan met een zinvolle selectie uit de levensfeiten ter ondersteuning van de gekozen thematiek, in dit geval: Heine als de eerste Europese intellectueel. Daardoor is zijn boek niet alleen een aangenaam leesbare biografie, maar ook een belangwekkend essay geworden.

Naschrift (4 februari 2014): Bij een eerdere versie van dit bericht stond per abuis niet een portret van Heinrich Heine, maar van zijn aartsrivaal Ludwig Börne [red.]

    • Arnold Heumakers