Dit is wél een huisdier. En dát niet

Welke zoogdieren wel en niet huisdier mogen zijn, ligt nu vast. De witbuikegel wel, een hertje met kwetsbare beentjes niet. Na twintig jaar debat is nog niet iedereen tevreden.

Er is ruim twintig jaar gesteggeld over een lijst met diersoorten die particulieren in Nederland mogen houden. Nu is het zo ver. Vanaf overmorgen gelden er regels voor bijna honderd zoogdieren. Niet al die dieren zijn geschikt als huisdier, laat staatsecretaris Dijksma (Dierenwelzijn, PvdA) weten. „Daarom stellen we daar nu paal en perk aan.”

Deze kleine honderd diersoorten zijn een „eerste tranche”. Er moeten nog minimaal tweehonderd soorten zoogdieren worden beoordeeld. En dan hebben we het nog niet eens over andere diersoorten zoals vogels, reptielen en vissen. „Als die aan bod komen, krijgen we écht heibel”, voorspelt directeur David van Gennep van Stichting Aap, het opvangcentrum voor exotische zoogdieren in Almere. Volgens hem is er veel dierenleed. „Wij hebben 450 dieren in opvang, en dat is het topje van de ijsberg. Minder dan 5 procent komt bij ons terecht.”

Dijksma heeft, na jaren onderzoek door Wageningen Universiteit, een lijst met drie categorieën opgesteld. In de eerste staan 33 soorten, zoals hond en kat, maar ook konijn, nerts of varken, die zonder specifieke voorschriften mogen worden gehouden. In de tweede categorie vallen 48 soorten die onder bepaalde voorwaarden zijn toegestaan: eekhoorn en stekelvarken, maar ook steppezebra, onager en Przewalskipaard. In de laatste categorie vallen 19 soorten die verboden worden, wegens „de grote impact die het houden heeft op de gezondheid en welzijn van deze dieren”, aldus Dijksma: meerdere soorten spieshert en muntjak.

Hoe lastig is het om voor kwetsbare zoogdieren te zorgen? Van Gennep: „Nou, ik sta hier bij een stekelvarken dat zojuist een hok ondersteboven heeft gewoeld. Ik ben blij dat het niet mijn achtertuin is.” En een muntjak? „Die moet je niet willen. Schichtige dieren die opspringen als je ze laat schrikken. Daarbij breken ze al hun botjes. Dus als een dierenarts zo’n dier een wormenpil wil geven, neem dan gelijk de spalkjes maar mee.” Mooi dus, zegt Van Gennep, dat er eindelijk een lijst is. „Een pluche speelgoedbeest moet aan allerlei eisen voldoen, maar als je een echt dier wil kopen, kijkt niemand ernaar.”

De houders van exotische zoogdieren hebben meegepraat bij de beoordeling van de soorten, maar eigenlijk zijn ze het helemaal niet eens met het idee. Secretaris Ed Gubbels van het Platform Verantwoord Huisdierenbezit: „De politiek heeft een karikaturaal beeld van de houders van exotische dieren. Ze denken dat er kangoeroes in een mandje in de huiskamer liggen en vinden dat ze aan die excessen iets moeten doen. In werkelijkheid beschikken de houders van zulke dieren over grote terreinen, parken en goede kooien.” Een verbod op het houden van dieren is „zinloos” en ook „juridisch onhoudbaar”, zegt Gubbels. „Je kunt elke diersoort houden, als je maar aan de eisen voldoet. Waarom zou je geen olifant mogen houden, als je beschikt over een enorm groot terrein en een verwarmde hal en een hek dat de mensen tegen de olifant beveiligt?” Effectiever is volgens Gubbels het stellen van eisen aan het houden van honden, katten, cavia’s en konijnen. „Wat moet een Duitse dog op een klein flatje? Veel mensen kopen dieren in een impuls. Zonder te weten dat je bijvoorbeeld cavia’s en konijnen nooit alleen moet houden. Mensen beschouwen dieren als namaakmensen. Ze willen de dieren knuffelen, terwijl die dieren daar niet geschikt voor zijn.”

Ook Sebastiaan Scheffer, handelaar in exotische diersoorten in Utrecht, beschouwt de huisdierenlijst als „een oplossing voor een niet-bestaand probleem”. Scheffer: „Er zijn geen problemen met exotische zoogdieren. Er zijn vooral problemen met het welzijn van honden, katten, konijnen, en cavia’s, en met dieren in de bio-industrie.” Hij vindt de lijst „ondeskundig” en „arbitrair” samengesteld. „Er worden grasmuizen toegestaan die hier helemaal niet zijn. En waarom mag je een onager onder voorwaarden houden? Een onager is een wilde ezel, die trapt je hartstikke dood.” Als alternatief noemt hij de introductie, zoals in Frankrijk, van een „kennistoets” voor eigenaren en van voorschriften, zoals in Duitsland. Scheffer: „In Duitsland moet je op eigen kosten je hok laten keuren door het ministerie. Prima.”

    • Arjen Schreuder
    • Merijn de Waal