De geur van vers brood en de stank van oorlog

Een roman vol verhalen over zonderlinge dorpelingen lijkt als een bundel vol diamantjes. In kort bestek, en humorvol weet deze onlangs bekroonde auteur het wel en wee van zijn personages invoelbaar te maken.

Saša Stanišic schrijft verhalen die als in een reidans met elkaar samenhangen Foto Ulf Andersen/Getty Images

‘We zijn bedroefd. We hebben geen veerman meer. En de meren zijn weer woest en donker en kijken om zich heen.’

In die poëtische zinnen zit de kern vervat van Nacht voor het feest, de met de Leipziger Buchpreis bekroonde tweede roman van de jonge Duitse schrijver Saša Stanišic. Ze drukken verdriet en angst uit; verdriet om de veerman bij wie iedereen zijn verhaal kwijt kon, angst omdat door zijn dood alles onzeker en duister lijkt te zijn geworden. En duister is deze ‘Heimatroman’, op een absurdistische en vooral humorvolle manier.

Saša Stanišic (1978) beschrijft die dreiging op een heel originele wijze. Geboren in Bosnië-Herzegovina, vluchtte hij tijdens de burgeroorlog van 1992 met zijn ouders naar Duitsland. Daar leerde de taal waar hij nu zo knap mee speelt.

Nacht voor het feest is gesitueerd in het Oost-Duitse dorp Fürstenfelde en speelt zich af in de 24 uur voorafgaand aan het jaarlijkse Annafeest. De betekenis van die eeuwenoude viering kent niemand meer. Maar het is het hoogtepunt van het jaar in een dorp waarvan de jongeren naar de stad trekken en de ouderen doodgaan.

Stanišic doet zijn relaas aan de hand van de belevenissen van afzonderlijke dorpelingen. De verhalen die hij over hen vertelt zijn een soort eenakters die als in een reidans met elkaar samenhangen. Een voor een zijn het diamantjes. Ze zijn kort, maar af, en laten de tragiek van het leven in al haar gedaantes zien.

Trefpunt voor de mannen van het dorp is de garage van Ulli, waar met wat tafeltjes, stoelen en een ijskast een improvisorisch café is ingericht. Hier kan onbekrompen worden gezopen en geouwehoerd over vroeger, over de jaren voor de val van de Muur in 1989, toen alles beter was. Het doet er niet toe of de nazi's of de communisten het voor het zeggen hadden.

Depressieve vrijgezel

Een van de belangrijkste personages in de optocht van zonderlingen die Stanišic je voorschotelt is de depressieve vrijgezel Wilfried Schramm, een voormalige luitenant-kolonel van het Oost-Duitse leger. Sinds hij met pensioen is, inspecteert hij het bos, met een pistool in het dashboardkastje van zijn Volkwagen. Thuis vermaakt hij zich met erotische sportclips op televisie en altijd heeft hij een sigaret in zijn mond.

De enige keer dat Schramm echt geleefd heeft, was toen een generaal van het Rode Leger een bezoek bracht aan de raketbasis waar hij diende. Vijf dagen lang was het dansen, zingen en zuipen, terwijl de dronken generaal naakt rondliep met zijn sabel omgegord. Als de generaal samen met zijn joodse ordonnans vertrekt, lees je: ‘In de ochtendschemering werd generaal Trunov gezien toen hij met twee jonge boerinnen op een tractor stapte en oostwaarts reed, de jood op de aanhanger met een typemachine op schoot waarop hij alle zinnen tikte die Trunov ooit had gesproken, ook die uit zijn dromen.’

Schramm wordt daarentegen neergezet met zware woorden: ‘Peuken of kogel door de kop, hij heeft nog geen beslissing genomen.’ Even later volgt de nuance met: ‘ In Wilfried Schramms huishouden bevinden zich gemiddeld meer redenen tegen het leven dan tegen het roken.’

Diezelfde wrange humor tref je ook aan bij de vrouwen die Stanišic opvoert, zoals de jonge Anna. Zij schiet met haar grootvaders luchtbuks op de wilde zwijnen in de tuin, maar weet Schramm uiteindelijk van zelfmoord te weerhouden. Het tragikomische, verwarde kruidenvrouwtje Schwermuth wint het echter van iedereen, omdat ze tijdens het bijhouden van de dorpskroniek het heden niet meer van het gewelddadige verleden kan scheiden, wat soms hilarische situaties oplevert.

Intermezzi

De kroniekverslagen, die Stanišic als intermezzi opvoert, dienen ertoe om je op de continuïteit van de geschiedenis te wijzen. De werkelijkheid van de zestiende eeuw blijkt maar weinig te verschillen van die van de nazi’s of de Stasi. Soms laat de schrijver daarom mensen uit het verleden reïncarneren, zoals een rijmend stel rovers dat in 1599 aan de brandstapel is ontsnapt.

Aan de hand van Anna stap je de roman binnen, ook omdat zij naar de ‘dorpsheilige’ is vernoemd: ‘Kom, we nemen je mee. Naar je naamgenote, naar de mensen, naar het dier. Naar de moervos, naar Schramm. Naar de levenshonger, naar de levensmoeheid. Naar Kranz, naar Schwermuth. Naar de geur van brood en de stank van de oorlog. Naar de wraak en de liefde. Naar de reuzen, de heksen, de braven, de narren. We hebben er alle vertrouwen in dat je een prima heldin zult zijn.’ Op die manier bombardeert Stanišic haar samen met de veerman tot zijn belangrijkste personages, die groter worden dan hun eigen aardse bestaan.

Ontroerend is het verhaal van varkensfokker Gölow, die een doodskist voor de overleden veerman wil kopen. Het moet een comfortabele kist zijn: ‘de veerman had een slechte rug. Je hebt van die bewegingen bij het roeien, bij het straktrekken van de touwen, en of je die nu jarenlang juist of verkeerd hebt uitgevoerd, uiteindelijk heb je een comfortabele kist nodig.’

In zulke tedere passages doet Stanišic aan de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal denken of, dichter bij zijn geboortehuis, aan de Servische schrijver Danilo Kiš. En het is precies die mengeling van Duitse en Oost-Europese literatuur die Nacht van het feest zo bijzonder maakt.

    • Michel Krielaars