Colin Barrett wrijft de ellende mooi op met woorden

‘Wat doet een kerel in de kracht van z’n leven in zo’n oord?’ Die vraag wordt gesteld halverwege het lezen van Jonge gasten, de verhalenbundel van Colin Barrett (1982). Het Ierse kuststadje Glanbeigh is in de novelle ‘Rustig met paarden’, die in deze bundel staat, zo uitzichtloos als je je het maar kunt voorstellen. Met iedereen die er is achtergebleven, is wel iets mis.

Neem Arm, de spierbundel van de lokale wietdealer. Hij is de jonge kerel in de kracht van z’n leven uit de vraag hiernaast. ‘Ik ben gestopt,’ antwoordt hij. Hij miste de drijfveer voor een bokscarrière. Maar even later zegt hij: ‘Je moet mensen pijn willen doen. Daar gaat die drijfveer over. Je moet mensen pijn willen blíjven doen.’ Toch zeurt die vraag door: waarom blijft hij in dat oord? Maar ook: krijgen ze elkaar desondanks? En ten slotte: overleeft hij zijn fouten?

De Ier Barrett kreeg na de Frank O’Connor-prijs dit najaar de Guardian First Book Award, en passeerde daarbij menige roman en non-fictieboek. Dat is terecht. Ondanks alle ellende in zijn verhalen, blijf je geloven in zijn secondanten, bedienden en figuranten, geplaatst in de geschiedenis van een eeuwenlange depressie van vóór de kredietcrisis.

Een man ziet zijn ‘neukertje’ van vorige week ineens met een verlovingsring. Een alcoholist keert terug naar zijn geboortedorp, krijgt een nieuwe kans en gaat in de fout met de vrouw die nieuw is in zijn AA-groep. Een uitsmijter wordt verliefd op de dochter van zijn baas, maar durft haar niet te volgen naar haar universiteitsstadje.

Barretts personages zijn al te menselijk, nooit belachelijk, en er is altijd hoop. Die vragen naar hun noodlot, hun kansen op echte liefde, de tijd die ze nog rest, die vragen laat Barrett open. En hij wrijft de ellende mooi op met woorden. Soms iets te, maar dit is precies goed, in de vertaling van Joris Vermeulen: een meisje (het ‘neukertje’), ‘knisperde’ het blikveld van de afgewezene in. Later knarsen ‘glasscherven als gravel onder onze voeten’. En de sporen van de laatste afrekening, het begin van het einde van de bokser Arm: ‘Het was al snel niets anders dan een steeds kleiner wordende vlek in de taps toelopende maalstroom, en weg was het, richting baai en open zee. Arm staarde naar het lusteloze in memoriam van kleren dat op de waterkant lag.’ Lusteloos? Nee. Prachtig.

    • Daan Stoffelsen