Barça moet Rio dichterbij brengen

Om snel te verbeteren stuurt bondscoach Robin van Galen zoveel mogelijk spelers naar Spanje.

Het Nederlands team won gisteren in Amersfoort de vierde oefenwedstrijd tegen Turkije met 18-5. Foto Merlin Daleman

Het nationale waterpolocentrum, diep weggestopt in de bossen van Zeist, heeft veel weg van een Braziliaans reisbureau. Op kleurrijke posters aan de muren schettert de kreet Road to Rio elke dag weer waar al die opofferingen naartoe moeten leiden. Maar de reis naar de Spelen gaat met een omweg: de Barcelona-route.

Vier spelers van de nationale selectie van Robin van Galen komen sinds een half jaar uit bij clubs in Barcelona in de sterke Spaanse eredivisie. En de bondscoach ziet het liefst dat de Catalaanse clubs komend seizoen nog meer versterking uit Nederland krijgen. „Ik wil daar zoveel mogelijk internationals stallen”, zegt Van Galen. „We denken dat we op deze manier sneller kunnen aansluiten bij de wereldtop.”

Van Galen, het brein achter het ondenkbaar geachte goud van de vrouwen in 2008 (Beijing), is geen man van half werk. Anderhalf jaar geleden stak hij bij de KNZB zijn hand op om de mannenploeg uit het slop te trekken. Zonder geld, want sinds 2012 steunt NOC*NSF de mannen niet meer: hun laatste olympische duel dateert van bijna vijftien jaar geleden, in Sydney.

De Barcelona-route bedacht Van Galen een klein jaar geleden met zijn kleine technische staf, nadat de nationale ploeg in Moskou de kwalificatie voor het EK was misgelopen. „Twee spelers kwamen naar me toe: wat ik ervan vond als ze bij een club in Barcelona gingen spelen”, zegt Van Galen. „Ik zei: moet je doen. In Spanje heerst een professioneel klimaat en er wordt creatief en dynamisch waterpolo gespeeld, zoals we in Nederland ook willen.”

’s Avonds in het hotel in Moskou, onder een biertje, filosofeerden Van Galen en zijn helpers nog eens verder. „We ontdekten op internet dat negen van de twaalf clubs in de Spaanse eredivisie uit Barcelona komen.”

Van het een kwam het ander. Van Galen zocht contact met de clubs en regelde een paar wedstrijden in Barcelona, waarbij de scouts de Nederlanders letterlijk konden uitzoeken. „De Spaanse clubs haalden altijd spelers uit Hongarije, Servië of Kroatië. Maar door de crisis is het geld op. Ze zijn nu blij met talentvolle Nederlanders.”

Eén van hen is Jorn Winkelhorst (23), een boom van vent uit Hengelo. Nu midvoor bij CN Barcelona, zestig keer landskampioen. „Een droom is uitgekomen”, zegt hij. Maar een vetpot is het niet in Catalonië: de KNZB betaalt zijn huur en een ‘inkomen’ van zo’n 300 euro per maand. „En via de club kan ik gratis eten.”

Van Galen ziet nu al verschil bij de Barcelona-gangers. „Ze sterker en fitter. En ze spelen slimmer.” Winkelhorst: „Alles is professioneler. We trainen veel meer dan in Nederland, je ligt met allemaal goede spelers in het water. Ze doen er alles aan om je niet te laten scoren. Ze trekken nog liever je hoofd eraf. Maar het went.”

Van Galen beseft dat ‘Barcelona’ een aderlating is voor de eigen competitie. Maar Van Galen heeft een missie, na al die magere jaren: „De jeugd moet weer perspectief krijgen op een olympische toekomst. Dat is het belangrijkst.” De exodus naar een professionele plek is onvermijdelijk. „In Nederland train je nog steeds om zeven uur ’s ochtends en ’s avonds laat, na het zwangerschapszwemmen.”

Van Galen moet elke dag inventief zijn. Geld is zijn grootste probleem. Met de vrouwen van Beijing had hij een miljoen per jaar te besteden, met zijn mannen nu ongeveer 250.000 euro – grotendeels persoonlijk bij elkaar geschraapt via sponsors. „Daarvan betalen we ook de jeugdselecties. Met meer geld heb je medische en technische begeleiding, meer trainingskampen. En meer spelers in Barcelona.”

Van Galen heeft zijn zinnen gezet op de Spelen van Rio, maar het oranjefiliaal Barcelona gaat door tot aan Tokio (2020), zo heeft hij met zijn spelers afgesproken. „Hiermee leggen we een basis voor de toekomst. Als we over twintig jaar olympisch goud winnen, ben ik geen bondscoach meer, denk ik. Rio halen zou geweldig zijn. Ik denk dat we 20 tot 25 procent kans hebben. Weinig? Kijk waar we vandaan komen. Anderhalf jaar geleden had ik gezegd: twee procent.”

De concurrentie is moordend, vooral in Europa. „We maken enorme stappen, maar we zijn niet de enigen die naar Rio willen”, zegt Van Galen. „Waterpolo wordt al sinds 1900 op de Spelen gedaan, en is de oudste olympische teamsport. Je hebt tachtig waterpololanden, waarvan er maar twaalf in Rio meedoen.” Daar zit een probleem, want de beste landen zijn geconcentreerd op de Balkan. Waar Nederland vroeger moest zien af te rekenen met Hongarije en Joegoslavië, slokken nu Servië, Kroatië en Montenegro veel olympische tickets op. Daarnaast ziet Van Galen met lede ogen toe hoe directe concurrenten zich versterken met buitenlanders. „Voor Georgië spelen nu vier Kroaten, Turkije heeft drie Serviërs aangetrokken, Brazilië heeft een Serviër, een Kroaat en een Italiaan. Als je goed kan waterpoloën krijg je gewoon een paspoort. Helaas mag dat in die landen. Vijf jaar geleden was Georgië een makkie, nu zijn ze gelijkwaardig.”

    • Rob Schoof