Als de bal eenmaal rolt

Illustratie Martien ter veen

Het was niet moeilijk om mijn collega’s van de plantsoenendienst in te delen in twee categorieën: degenen voor wie het de eerste keer was dat ze met justitie in aanraking waren gekomen en degenen voor wie het al de zoveelste keer was.

Zij die voor het eerst moesten harken waren boos, verongelijkt en vooral dood- en doodmoe. Zo vroeg opstaan was al een straf op zichzelf, en het nu dagelijks acht uur in de buitenlucht perkjes schoffelen en harken was iets wat ze zich totaal anders hadden voorgesteld.

„De gevangenis is een hotel, broer, dit is een hel!” beet een jongen me toe vanuit de struiken waar hij lege blikjes aan het verzamelen was.

Degenen voor wie het de zoveelste keer was benaderden alles heel anders: met redelijk wat plezier en overgave schoffelden ze van pauze naar pauze en waren altijd op tijd. Het waren over het algemeen niet de meest intelligente figuren, en Toni Servillo, de werkmeester met het mutsje, kende ze vaak al jaren. Toni zat vol levenservaring en vuurde met grote regelmaat quasi-wijsheden op de taakstraffers af.

Op sommige middagen voerden we lange discussies die volgens Toni net zo belangrijk waren als de werkstraf zelf. We zaten dan in de bus op weg naar een kantine waar we pauze mochten houden en zo nu en dan zette Toni zijn bus stil aan de kant van de weg en sprak ons toe. Iedereen luisterde naar zijn ellenlange uiteenzettingen over religie, goed en kwaad en de maatschappij. Er leek een unaniem respect voor Toni, want hij had het goed met de taakgestrafte voor. Maar hij wist eigenlijk niet waar hij het over had en dwaalde continu af, wat we maar al te graag lieten gebeuren omdat elke minuut zonder schoffel was meegenomen.

„Bijna iedereen komt terug”, zei hij ernstig toen ik hem vroeg of hij vaker dezelfde gezichten zag. „In negen van de tien gevallen dan, want je moet niet alle dingen over dezelfde kam willen kammen, niet elke haar is hetzelfde, vriend, niet elke richting van het groeien is gelijk.”

Tijdens het schoffelen in mijn fluorescerende hesje begon ik mezelf de vraag te stellen of ik dit verdiend had. Tegelijkertijd vroeg ik me af of dit wel straf was en dit de manier was om mij bewust te maken van mijn wangedrag, nu vele jaren geleden. Ik had de Belastingdienst benadeeld en het gevolg daarvan was dat ik in de regen plukjes onkruid aan het wieden was.

Ik wist van een aantal van mijn collega’s wat ze gedaan hadden. Het liep enorm uiteen; van kleine vergrijpen tot ernstige dingen. Allemaal kampten ze nu met hetzelfde: het ergens moeten zijn waar je niet wil zijn, waar je niet weg mag. Het noodgedwongen moeten aanleren of hervinden van ritme en regelmaat.

„Je komt er meestal niet meer uit”, zei een man van in de veertig met kleine zwarte krulletjes die even zijn bezem op de grond had gelegd om een sigaret te roken. „Ik werd ooit aangehouden voor iets heel kleins en het leven werd me moeilijk gemaakt. Je moet dan heel sterk in je schoenen staan om dan niet heel boos te worden en iets ergers te doen. Dan gaat de bal rollen en als de bal eenmaal rolt...”

„Dan rolt hij naar mij”, zei Toni Servillo. „Het leven is niet eerlijk, maar ik ben blij met jou broer, je doet je werk als een zonnetje.”