Twintig paar ogen staren je aan

„Ik wil graag aan de typische De Wereld Draait Door-kijker laten zien hoe mooi dit is”, zegt Marc-Marie Huijbregts, over schilderijen van Permeke en Fernhout. En hij kiest portretten. Veel portretten.

foto olivier middendorp

‘Tuttig?” Marc-Marie Huijbregts valt even stil als ik voorzichtig opmerk dat de keuze die de cabaretier maakte uit de collectie van het Van Abbemuseum misschien wel ‘een tikje tuttig’ is. Maar meteen volgt de ontlading. „Natuurlijk is het tuttig. Enorm tuttig! Maar ik bén ook een ouwe tut! Dat is toch niet erg?” En, na even nadenken: „Ik had ook allerlei hippe schilderijen kunnen kiezen, van Marlene Dumas ofzo, maar die kent iedereen toch wel. En de opdracht was om vergeten kunstenaars uit de kelders omhoog te halen. Kenners weten misschien wel wie Constant Permeke is of Edgar Fernhout, maar Tante Loes, de typische De Wereld Draait Door-kijker, weet dat niet. En die wil ik graag laten zien hoe mooi dit is. Zodat ze misschien iets verder kijken. Iets langer. Dat was toch de bedoeling van dit project?”

Hoe je het ook wendt of keert: Huijbregts’ keuze uit de collectie van het Van Abbemuseum en de manier waarop hij de werken presenteert is op zijn minst onverwacht te noemen. Van alle deelnemende musea aan DWDD’s pop-upmuseum geldt het Van Abbe als het meest conceptueel, het ‘hipst’, het meest afstandelijk misschien ook wel. Maar kijk nu eens naar Huijbregts’ keuze: 23 kunstwerken waaronder 20 portretten. En de meeste gemaakt rond 1930. Er zitten werken bij van bekende kunstenaars als Charley Toorop, Edgar Fernhout, Leo Gestel en Jan Sluijters, maar ook schilderijen van mindere grootheden als Georg Hering, Johan Lennarts en Ferencz von Bölcskey die het Eindhovense daglicht vermoedelijk al in geen decennia hadden gezien – en er zonder Huijbregts vermoedelijk nooit meer een glimp van zouden hebben opgevangen.

Toch ging het Huijbregts daar niet in het bijzonder om. „Laat ik eerlijk zijn”, zegt hij, „ik had niet echt een doel toen ik het depot in ging. Maar toen ze die hekdeuren waarop alle werken hangen eenmaal voor me begonnen open te schuiven, was een van de eerste werken die ik zag dat grote doek van Constant Permeke – ik was meteen verkocht. Dat zware, dreigende onweer, die duisternis... Dat er ook nog een figuur op staat, zag ik pas later. Maar daarna bleef ik eigenlijk alleen maar naar portretten kijken. Blijkbaar wil ik toch een soort familie scheppen op zo’n tentoonstelling, zoek ik toch naar herkenning. Ik vind het altijd zo mooi dat portretten als het ware terugkijken naar de toeschouwer.”

Wat vonden de medewerkers van het Van Abbe van uw keuze?

„Oh, die waren heel aardig, die deden niet moeilijk. Ze hadden dit misschien niet verwacht, maar ze hebben niet geprobeerd me bij te sturen. Dat was in sommige andere musea wel anders, heb ik begrepen.”

U heeft in het Allard Pierson gekozen voor een tamelijk ongebruikelijke opstelling: één grote wand die helemaal dicht is behangen met portretten en een bijna lege wand met maar twee schilderijen daartegenover.

„Ja, ik ben toch een theatermaker hè? Dat leek me mooi: je komt binnen en ziet die twee schilderijen hangen, de Permeke en een heel klein intiem portretje van twee mensen, geschilderd door René Jolink. Je kijkt even, draait je om en dan word je ineens aangestaard door wel twintig paar ogen. Zo’n volle wand noemen ze de Sint Petersburgse opstelling, heb ik begrepen. Ik vind dat mooi, je krijgt lekker de volle laag.”

Zou u zo’n selectie ook thuis willen ophangen?

„Het zou best kunnen, al is mijn eigen smaak wat eclectischer. Mijn kunstverzameling is heel verschillend: een modern Chinees schilderij, een tekening van een Nederlandse kunstenaar, het schiet eigenlijk alle kanten op.” Hij zwijgt even. „Wat ik telkens weer merk in mijn dagelijks leven is dat kunst mij rust geeft, een nieuw soort concentratie. Ik heb havo-eindexamen tekenen, maar daar had ik al jaren niks meer aan gedaan. Onlangs ben ik weer begonnen, ik volg nu een cursus tekenen op de Teekenschool van het Rijksmuseum. Dat wilde ik al langer, maar thuis, in je eentje, begin je daar niet aan en dan is zo’n cursus op een vaste avond perfect. Pas zaten we daar met z’n allen te werken, het was heel stil, heel geconcentreerd. En ineens zegt iemand zacht: ‘hier word ik nou zó gelukkig van.’ Precies hoe ik me voelde.”

U tekent en schildert dus zelf – wordt u de nieuwe Judith Osborn, Carry Tefsen of Jeroen Krabbé?

Huijbregts lacht ingetogen. „Nee zeg, dat wil ik de wereld niet aandoen. Ik doe het graag, dat tekenen, maar ik hou het lekker voor mezelf.”