Rekenen is geen wiskunde, politiek is niet het onderwijs

Wat moet ik met wiskunde? In de supermarkt heb ik er niets aan. Van die flauwe grap van leerlingen die voor de wiskundeles willen spijbelen, bestaan vele varianten maar hij komt altijd op hetzelfde neer: het praktisch nut van wiskunde is ver te zoeken. En dat klopt. De wiskunde mikt niet op direct toepasbare vaardigheden. Wiskunde is de studie van logica, patronen en structuren en het ontwikkelt het abstracte denken.

Maar zoals bij het vak Frans de taal moet worden geleerd voor je je met de literatuur kunt bezighouden, onderwijst de wiskundeleerkracht het rekenen. Met dat Frans kun je in Parijs een vin rouge bestellen. Reken je je bestelling af, dan komt het rekenen van pas. Net als taalbeheersing is het rekenen een doorslaggevende vaardigheid. Iedereen heeft het dagelijks nodig, en voor veel meer dan het betaalverkeer op een terras aan de Boulevard Saint-Michel.

Te veel leerlingen blijken ondermaats te rekenen en ondanks gedurig alarm wordt dat maar niet beter. Als een soort paardenmiddel voert de Tweede Kamer vanaf 2016 een rekentoets voor alle eindexaminandi in: wie ervoor zakt, krijgt geen diploma.

De rekentoets is geen wiskundetoets. Hij meet basale rekenvaardigheden met doorsnee sommen. En hij test of de leerling in staat is om die sommen praktisch toe te passen. Voor die opdrachten is ook taalvaardigheid vereist en vreemd is dat niet. Rekenen en taal zijn verknoopt in de dagelijkse praktijk, waar een keukenverkoper met zijn zogenaamde kortingen het hoofd moet worden geboden of besloten moet worden welk abonnement voor een mobieltje het gunstigst is. Iedereen zou dat moeten kunnen, maar de overgangsregeling voor de toets doet het ergste vermoeden. Om de huidige leerlingen niet te duperen, slagen zij al met een 4,5. Dat duidt op rekenonderwijs dat niet verder brengt dan zo’n dikke onvoldoende.

Gisteren woedde er in de Tweede Kamer een heftig debat. Tegenstanders van de toets bepleitten het opkrikken van het niveau van het rekenonderwijs. Voorstanders verwachtten dat scholen en leerlingen zich zullen beteren met die toets in het vooruitzicht. Ze hebben allebei gelijk en dat gelijk moet gecombineerd worden, bij voorkeur door het onderwijs zelf. Een minister van Onderwijs stippelt beleid uit, voor iets specifieks als een rekentoets is het veld zelf beter geëquipeerd.

Nu de rekentoets er is, moet hij geen zeef zijn maar een opsteker. Jongeren mogen er niet voor zakken. Niet omdat ze werden afgericht om ’m te halen. Maar dankzij het rekenonderwijs van leraren die het een persoonlijke afgang vinden als hun leerlingen hem niet doorstaan.