OM wil DNA van gedode jihadisten

Justitie houdt er rekening mee dat Nederlandse strijders voor IS hun dood in scène zetten.

Het Openbaar Ministerie probeert in Syrië en Irak DNA-materiaal te bemachtigen van gedode Nederlandse jihadstrijders. Hiermee wil het OM zekerheid krijgen welke jihadisten zijn overleden; nu is daar veel onduidelijkheid over.

Dat zegt officier van justitie Bart den Hartigh van het landelijk parket, verantwoordelijk binnen het OM voor terreurbestrijding, tegen deze krant. In één geval heeft het OM al met succes DNA-materiaal van een jihadist naar Nederland gehaald, aldus de officier. Het ging om Sultan Berzel, een 19-jarige jihadist uit Maastricht die afgelopen november 23 mensen doodde met een zelfmoordaanslag voor het politiebureau van Bagdad. De Irakese politie heeft nadien DNA-materiaal van Berzel verzameld en beschikbaar gesteld aan de Nederlandse politie en justitie. Ook de familie van Berzel stond DNA af. Het bleek te matchen met het DNA van de aanslagpleger.

Op eenzelfde manier zal worden geprobeerd om in de Syrische grensplaats Kobani resten te vergaren van gedode Nederlanders. Dinsdag bleek dat de Koerden de stad hebben heroverd op terreurbeweging Islamitische Staat (IS). Daarbij kwamen mogelijk Nederlandse strijders om. Volgens officier Den Hartigh zal het, vergeleken met Irak, veel moeilijker worden om in Kobani DNA van jihadstrijders te vinden. Den Hartigh: „Irak is een staat waaraan we rechtshulpverzoeken kunnen doen. Dat geldt niet voor Syrië omdat we niet met Assad samenwerken. En de Koerden hebben geen eigen staat.” Bovendien is samenwerking met Koerdische troepen omstreden omdat zij gelieerd zijn aan de verboden organisatie PKK.

Twijfel aan doodverklaringen

Het OM wil bewijzen van gedode jihadstrijders omdat er twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de berichten over overleden jihadisten. Wanneer een strijder het ‘martelaarschap’ heeft verkregen, wordt zijn Nederlandse familie hierover meestal geïnformeerd door medestrijders uit Syrië of Irak. Van de 21 gesneuvelde jihadisten wier dood is bevestigd door autoriteiten, bleef het lichaam meestal in Syrië of Irak. Maar terreurbestrijders houden er rekening mee dat jihadisten hun dood in scène kunnen zetten. De 27-jarige jihadist Imran K. uit het Engelse Hounslow dook onlangs op in Dover, terwijl hij in de sociale media al was doodverklaard. Volgens de Britse politie had K. zelf het bericht over zijn dood de wereld in geholpen om ongezien het land in te komen. Ook jihadist Khalid K. uit Almere is al meerdere keren doodverklaard en weer opgedoken.

Extra complicatie voor justitie is dat jihadisten soms met valse paspoorten terugkeren. Nederlanders die voor IS in Syrië vechten, moeten hun paspoort bij IS inleveren. Wat er vervolgens met dit reisdocument gebeurt, blijft veelal onduidelijk. Volgens bronnen hebben zich de laatste twee jaar minstens tien Syriëgangers bij het Nederlands consulaat in het Turkse Istanbul gemeld, omdat ze niet meer beschikten over een paspoort en terugwilden naar Nederland. Zij kregen een tijdelijk reisdocument (laissez-passer).

De aanhoudende betrokkenheid van Nederlandse jihadisten bij de strijd in Syrië doet het aantal jihadzaken dat het OM in onderzoek heeft, verder stijgen. Eind vorig jaar waren dat er volgens een woordvoerder 45. Nu gaat dat richting 60, aldus dezelfde woordvoerder. Het OM verwacht de komende maanden een verdere stijging, mogelijk tot boven de honderd. Daarbij gaat het overigens niet alleen om onderzoek naar de voorbereiding van mogelijke aanslagen, maar ook naar mogelijke ronselpraktijken en het volgen van jihadstrijders in Syrië die deelnemen aan gevechten.