Muzikaal wonderkind met hippe retrosound

Op zijn nieuwe album ‘Uptown Special’ toont producer Mark Ronson zich opnieuw een handige collectioneur, lustig shoppend uit funk en soul uit de jaren zeventig en tachtig.

Mark Ronson
Mark Ronson Foto Sony Music

De melodie kwam vanzelf. Maar wonderlijk genoeg hoorde Mark Ronson daar in zijn hoofd steeds de harmonica van Stevie Wonder bij. Ronson trok de stoute schoenen aan en stuurde Wonder zijn muziek, vergezeld van een lange brief. Daarin vooral veel lofprijzingen voor zijn muziek. En een kleine vraag: zou de legendarische muzikant eventueel een bijdrage willen leveren aan Ronsons nieuwe album?

Maanden bleef het stil. Tot Ronson vlak voor de deadline van het album een opname in zijn dropbox vond. Hij was buiten zinnen. De gedachte alleen dat hij, de grote Wonder, daar de tijd voor had genomen. Ronson ging op de grond van de studio liggen, en draaide het af en aan.

Uptown Special, het pas verschenen album van de Britse producer en het muzikale wonderkind Mark Ronson (39), wordt geopend met opgewekte harmonicaklanken van Wonder op een stemmig elektrisch soundbedje. Daarna volgt een warm en meevoerend psychedelisch rocknummer, Summer Breaking, gezongen door Kevin Parker, de zanger van de Australische band Tame Impala. Vervolgens het uiterst dansbare Feel Right, vertolkt door hyperrapper Mystikal. En dan hebben we het nog niet eens over de throwback-jam kraker Uptown Funk, waarin het zoetsappige popidool Bruno Mars uit Amerika zich onverwacht van zijn meest funky kant toont.

Muziekcollages

De flonkerende sound van de hippe retrosoul-producer Mark Ronson, met de kuif en de melancholieke hondenogen, is het werk van vele mensen. Op handige wijze schept Ronson soepel melodische muziekcollages waaraan hij door de medewerking van grote namen grandeur geeft. Hij verstaat de kunst te organiseren, te charmeren en te produceren, en door die combinatie weet hij mensen, zangers, muzikanten én producers snel aan zich te binden.

De in Groot-Brittannië geboren Mark Ronson verhuisde op zijn achtste naar New York. Zijn moeder hertrouwde daar, zijn stiefvader werd gitarist Mick Jones van rockband Foreigner. ‘Rockroyalty’ kwam bij hen over de vloer: Rod Stewart was babysitter, Paul McCartney en Michael Jackson bezochten de feestjes en Sean Lennon werd Ronsons beste vriend. Ronson zelf raakte geïnteresseerd in hiphop en kreeg als 19-jarige zijn eerste ‘optreden’: als dj op een feest van rapper Puff Daddy. De rijke partykid werd al snel een celebrity-dj in de New Yorkse hiphopscene.

Omdat hiphop hem ging vervelen, begon hij bekende pop- en rocknummers om te smeden. Het bleek zijn kracht. Met analoge instrumenten als blazers en strijkers en stijlelementen uit de jaren vijftig en zestig, waaronder de bekende Motownsound, creëert hij vernuftig een hip soort nostalgie. Ronson werd de producer die Amy Winehouse op het album Back to Black (2006) haar ‘oude’ geluid gaf. Hij viel op met zijn eigen coversalbum Version, waarop nummers van onder meer Radiohead, Coldplay en Kaiser Chiefs orkestbewerkingen kregen. In 2008 won hij als producer van het jaar een Grammy.

Opmerkelijk was de tijdloosheid in Ronsons muziek. Maar, zei hij in een interview met deze krant in 2007, hij waakte voor pastiche. „De muziek moet overeind blijven, ook als het verrassingseffect is verdwenen. Het mag geen retrograp of gimmick worden.”

Opvolger Record Collection (2010) was een door hiphop en discobeats gedomineerde plaat met veel gastmusici. De erop volgende tournee die hij maakte met zijn band The Business Intl. werd echter lauw ontvangen; de grootste kritiek betrof de wat statische uitvoering van de liedjes. De jaren daarna was hij meer uit beeld. Als producer drukte hij een stempel op albums van The Black Lips, Rufus Wainwright en Bruno Mars. Privé was er zijn huwelijk met actrice Joséphine de La Baume.

Retro-invloeden

Nu, vijf jaar na zijn vorige plaat, is Ronson terug met Uptown Special, een album dat weer doordrenkt is van retro-invloeden. Opnieuw toont Ronson zich een handige collectioneur, lustig shoppend uit funk en soul van de jaren zeventig en tachtig. Het zijn flarden feestelijke gedateerdheid van onder meer Kool & The Gang, Chic, Earth Wind & Fire, Michael Jackson en Steely Dan. Ronson zegt het gevoel terug te willen halen van zijn New Yorkse clubnachten van toen. „Op een typische nacht, eind jaren negentig, begin 2000, kon je al die artiesten in één set voorbij horen komen”, licht Mark Ronson kort toe aan de telefoon vanuit Londen. „Het zijn albums die ik als blanke dj in voornamelijk zwarte en latinclubs draaide. Ik mixte alles strak aan elkaar, en ik miste nooit een beat zodat iedereen blééf dansen.”

Met een van de aantrekkelijkste liedjes op het album, Uptown Funk, heeft hij met zanger Bruno Mars een gigantische hit te pakken: ruim 190 miljoen streams op YouTube en Spotify. Het is een uit alle muziektijdperken puttend liedje dat zo slim in elkaar steekt dat het al na eerste beluistering heel bekend aanvoelt. Een effect à la Happy. Ronson sleutelde er zes maanden aan, absurd lang voor één nummer. De producer voelde zich onder druk staan. Deze single moest niets anders dan geweldig zijn. „Anders zou niemand verder wat om dat album geven.”

Zoals zijn hele album was ook dit liedje een collectieve productie: van het gezongen baslijntje ‘do-do-do’ door Bruno Mars, tot de vintage synthesizers door de gelauwerde popproducer Jeff Bhasker. Ronson struikelde in zijn zoektocht naar een origineel en funky gitaarriffje. Voor de wat Nile Rodgers-achtige groove werd een behoorlijke prijs betaald na lange studiodagen vol mislukte opnames. Want steeds vond de producer wat hij inspeelde niet goed genoeg. „Ik wist gewoon niet hoe het moest.” Op de laatste opnamedag begon hij ’m echt te knijpen. Bij de lunch trok hij wit weg, en viel uiteindelijk flauw.

Perfectionist

Het toont Ronson de perfectionist. Van de zoektocht naar een geschikte zangeres – kerkkoren en scholen afstruinend in het zuiden van Amerika, tot het over de wereld reizen voor de opnames met superster Bruno Mars, en de drie dagen die hij besteedde aan de bewerking van de klanken die Stevie Wonder stuurde.

Liedjes als Summer Breaking en Crack In the Pearl doorbreken in hun midtempo de energie van de dansvloer. Eruit springt ook de catchy psychedelische, gelaagde discotrack Daffodils, waarin de met sierlijke synths omgeven falsetstem van Kevin Parker over een oude Jackson-achtige beat danst. Voor zijn gevoel toont Ronson op dit album met dit soort nummers pas echt zijn muzikantschap. „Ik zag mezelf altijd eerst als dj, en daarna pas als muzikant.”

Het feit dat hij voor de teksten contact zocht met schrijver Michael Chabon onderstreept zijn serieuze aanpak. Ronson wilde meer diepte – voorbij typische dansvloerteksten. Wat hij kreeg waren zinnen die veel suggereren. „In the backroom of the El Mago Casino/ Under a portrait of Doris Day” (uit Crack in the Pearl). Het zijn, bijvoorbeeld in Summer Breaking, fraaie verhalende taferelen in technicolor.

Al die glanzende bijdrages lijken uitgedacht, maar eigenlijk hangt het album van toevalligheden aan elkaar, zegt Ronson. „Als Jeff niet I Can’t Lose schreef, waren we nooit onze roadtrip begonnen naar het zuiden. Als Michael Chabon niet zulke mooie teksten had geschreven, had Stevie Wonder zijn bijdrage niet geleverd. Als je aan de piano zit komen de akkoorden er gewoon uit, daar heb je niet veel controle op.” Dat zijn muziek altijd een beetje heeft bestaan buiten wat er verder aan de hand was, doet Ronson goed. „Het lijkt op veel, maar vooral níét op wat er op de radio is.”