Meer dan een knap rijmende tegelwijsheid

Vandaag begint de Poëzieweek. nrc.next vroeg dichters om iedere dag van die week een gedicht te herschrijven. Te verbeteren, of aan te passen aan de tijd. Ellen Deckwitz bijt het spits af: zij boog zich over Vondel, en verklaart haar keuze.

Illustratie Jet Peters

‘In 1632 stierf Vondels zoontje Constantijn, na slechts enkele maanden te hebben geleefd. Het onverwachte overlijden dompelde de familie in diepe rouw en in de stille maanden die volgden schreef Vondel het vers Kinder-lyck.

Het opwekkende metrum (afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen, red.) en de optimistische boodschap maakten het een troostgedicht bij uitstek. Hoe kan je nog verdrietig zijn, als je weet dat je kindje bij de Schepper is en nooit meer hoeft te lijden?

Althans, dat was een opbeurende gedachte in de zeventiende eeuw. De meeste hedendaagse lezers beschouwen dit gedicht als een knap rijmende tegelwijsheid. Maar dat is het niet: dit was voor zijn tijd uitzonderlijk knap, en menig rapper kan hier nog een puntje aan zuigen. Laatst bleek uit onderzoek nog dat maar een op de zes Nederlanders gelooft in God. De huidige vormen van troost verschillen bovendien nogal van die van vierhonderd jaar geleden.

Vanuit die gedachte ben ik aan het schrijven geslagen. Het vrolijke metrum laten contrasteren met een sombere inhoud. Met af en toe letterlijke verwijzingen naar het origineel, om heden en verleden aan elkaar vast te rijgen, waardoor de bewerking van een extra laag werd voorzien.

De betere gedachten betreffen iets wat je al wel vermoedde, maar wat pas bestaansrecht krijgt wanneer een ander het ook ziet. Zodat je weet dat je niet de enige was, die iets opmerkte. Kennis en ervaring zijn leuk hoor, maar maken vooral verdomd eenzaam.

En daar komt de grote meerwaarde van literatuur, in het bijzonder poëzie, om de hoek kijken. Door te herschrijven en met elkaar te blijven communiceren. Contact te leggen met de mensen met wie we misschien geen tijdperk, maar wel genen delen. Zodat we uiteindelijk weer een beetje leren lachen om het bestaan en, in afwachting op het onvermijdelijke, om al die ijdelheden, hier beneden.”