Investeren in wetenschap? Wij profiteren er liever van

Het past welvarende landen niet de investeringen voor fundamenteel onderzoek op elkaar af te schuiven, vindt Geert-Jan Kroes.

Het ministerie van OC&W bracht onlangs een stuk naar buiten met een visie op de toekomst van de Nederlandse wetenschap (Wetenschapsvisie 2025: keuzes voor de toekomst). Het stuk, gisteren besproken in een hoorzitting van de Tweede Kamer, formuleert keuzes die tot gevolg moeten hebben dat het Nederlandse wetenschapsstelsel ook in de toekomst zeer goed zal presteren. De gemaakte keuzes (minder geld voor onderzoek, middelen verschuiven van ongebonden fundamenteel onderzoek naar themagebonden onderzoek dat vooral belangrijk is voor de Nederlandse maatschappij en industrie, en centralisering van NWO) zullen echter tot het tegendeel leiden, en ons parlement moet ingrijpen. Een sceptisch parlement zou zich kunnen afvragen of bezwaar makende wetenschappers inderdaad de spreekwoordelijke kip met de gouden eieren zijn die geslacht wordt, of gewoon een ander stel varkens aan de trog. Die zinsnede heb ik niet van mijzelf; ik ontleen die aan William Press, wiens betoog (Science, 2013) ik hier in hoofdlijnen volg.

Volgens Robert Solow (Nobelprijswinnaar economie in 1987) en economische onderzoekers die zijn werk voortzetten berust economische groei vooral op technologische vooruitgang. Schattingen maken van de bijdrage van fundamenteel onderzoek aan groei is niet gemakkelijk, maar gemaakte schattingen van de ‘return on investment’ in fundamenteel onderzoek variëren van 20 tot 60 procent per jaar (Press citeert hiervoor Salter & Martin, Research Policy, 2001). Waarom zou de Nederlandse overheid dan minder geld willen investeren in fundamenteel onderzoek?

Press relateert dergelijk gedrag aan het ‘toe-eigeningsprobleem’: op baanbrekende resultaten van nieuwsgierigheidsgedreven fundamenteel onderzoek wordt in het algemeen geen octrooi verkregen. Omdat resultaten van in Nederland uitgevoerd fundamenteel onderzoek met internetsnelheid de wereld rondgaan, is het goed mogelijk dat de daaruit verkregen inzichten via R&D (research and development) in eerste instantie vertaald worden naar buitenlandse producten, en daar bijdragen aan economische groei. De investeerder in een fundamenteel onderzoeksproject ontvangt meestal niet zelf de beloning ervan. Zo is verklaarbaar dat Amerikaanse bedrijven in de negentiger jaren ophielden met investeren in fundamenteel onderzoek, en die investeringen overlieten aan de nationale overheid.

Soortgelijk gedrag signaleert Press nu bij de Amerikaanse overheid, en hij brengt dat in verband met de ‘tragedie van de meent’ (Engels: ‘tragedy of the commons’). Met parafraseren van Wikipedia: volledige vrijheid bij gebruik van gemeenschappelijke goederen (ongebonden fundamenteel onderzoek) leidt tot totale onderbenutting of overexploitatie van dat onderzoek, wanneer door elke staat wordt gestreefd naar maximalisatie van eigen nut. Een logische overheidsstrategie is kiezen voor ‘freerider-gedrag’: de overheid investeert meer in onderwijs (kennisabsorptievermogen) dan in onderzoek (het genereren van nieuwe kennis).

Een mooie illustratie hiervan staat in de synopsis van het rapport Naar een lerende economie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid: „Het is dan ook de vraag of een (klein) land voorloper moet willen blijven door alleen te investeren in het genereren van kennis. Het behalen van de top in de wetenschap is in veel gevallen niet nodig, als een land maar goed genoeg is om te begrijpen waar de wetenschap mee bezig is en aangesloten is op de netwerken waarin de kennis circuleert.”

Om onderbenutting van gemeenschappelijke goederen te vermijden maken landen in internationaal verband afspraken. De EU-staten spraken in de Lissabon-agenda in 2000 met elkaar af dat elke lidstaat ernaar streeft 3 procent van zijn bruto binnenlands product (bbp) te investeren in R&D. Met dergelijke afspraken kan voorkomen worden dat de nationale overheden freerider-gedrag gaan vertonen. Wat gebeurt er echter in de wetenschapsvisie? Die meldt: „Het Rathenau Instituut stelt dat op termijn de directe overheidsuitgaven voor R&D naar verwachting verder zullen afnemen” onder weglating van „bij ongewijzigd beleid” uit het oorspronkelijke rapport.

Volgens het Rathenau-rapport dalen de directe uitgaven van de Nederlandse overheid in de periode 2012-2018 bij ongewijzigd beleid van 0,78 naar 0,65 procent van het bbp. Omdat de uitgaven van het Nederlandse bedrijfsleven ongeveer 1 procent van het bbp bedragen, blijft Nederland ver onder de norm van 3 procent. Dit freerider-gedrag (de in feite gemaakte bezuinigingskeuze) is niet passend voor een land dat qua welvaart tot de Europese kopgroep behoort, met een economie die weer gaat groeien.

De Wetenschapsvisie stelt meer nadruk voor op thematisch onderzoek voor nationale welvaart, onder een te centraliseren NWO, die moet afdwingen dat de wetenschappers de autonomie opgeven die tot de geleverde, goede kwaliteit heeft geleid. Die maatregelen, die moeten voorkomen dat de Nederlanse wetenschap gaat afglijden als gevolg van minder grote investeringen, passen allemaal prima in het beeld van de tragedie van de meent. Daarbij is het kwalijk dat voorstellen om het uitstekend functionerende NWO (goed bekend in Europa, met cruciale bijdragen aan de goede kwaliteit van de hedendaagse Nederlandse wetenschap) te hervormen worden gebaseerd op een rapport van een commissie waarin actieve universitaire wetenschappers lijken te ontbreken, en een rapport van een club topambtenaren verenigd onder de noemer ‘ABDTOPConsult’. Markant daarbij is dat ABDTOPConsult zich op haar website afficheert als „dichtbij en onafhankelijk”. De Wetenschapsvisie inspireert niet en zal leiden tot verminderde aantrekkingskracht op internationaal talent.