Het ludieke gedachtengoed van Wim T.

Vanaf morgen krijgt kunstenaar en tv-maker Wim T. Schippers een eigen zaal in het Stedelijk Museum. Sinds de jaren zestig heeft hij de Nederlandse cultuur danig beïnvloed.

Zwierig komt de 72-jarige alleskunstenaar Wim T. Schippers op, en stort dan plotseling ter aarde. Een sterfgeval op de bühne, à la Molière? Het publiek in de Arnhemse schouwburg schrikt even. Schippers, in de armen genomen door actrice Meral Polat, ziet opmerkelijk pips. Polat zet een grandioze sterfaria in. Even later hervindt Schippers de kracht om aan de vleugel een nogal onvolkomen Mozart-vertolking ten beste te geven. Schier eindeloos duurt dat, totdat het publiek er met applaus een eind aan maakt. Of is er iets in Schippers’ acteren dat juist op dat punt tot applaudisseren aanzet?

Vermoedelijk het laatste. De voorstelling Hoogwater voorheen laagwater is een minutieus geregisseerd geheel, dat er informeel en geïmproviseerd uitziet. Er valt geen pot met kunstplant om zonder dat dit is bedacht, vastgesteld en in een draaiboek opgeschreven. Die nauwgezetheid is typisch voor de man die vanaf morgen een eigen zaaltje krijgt in het Stedelijk Museum, en als kunstenaar al sinds begin jaren zestig de Nederlandse cultuur heeft beïnvloed als weinig anderen – als beeldend kunstenaar, performer, televisiemaker en op het toneel. Zelfs de meest on-kunstzinnige Nederlander kent uitdrukkingen als ‘jammer maar helaas’, of het oneigenlijke gebruik van het woord ‘reeds’, afkomstig uit Schippers’ televisiewerk in de jaren zeventig.

De kunstenaar claimt overigens ook het woord ‘gekte’, maar de redactie van Van Dale – die het woord heeft opgenomen, net als het zeker van Schippers afkomstige ‘pollens’ – meent dat iedereen dat woord wel had kunnen verzinnen. Een merkwaardig argument: de meeste dingen die Schippers gedaan heeft, had iedereen wel kunnen verzinnen. Alleen doen wij dat niet, en we houden het verzinnen van gewoonheden ook niet consequent meer dan vijftig jaar vol. En wanneer we al iets verzinnen, dan willen we meestal dat iets een bepaalde betekenis heeft, een boodschap.

Zo niet Schippers. Tientallen interviews heeft hij door de jaren heen gegeven – een kunstenaar moet zijn werk aan de man brengen. Ze vormen eentonige lectuur: Schippers doet zich onveranderlijk kennen als welgemoed en druk bezig, maar significante uitleg debiteert hij niet. Betekenis is niet zijn ding: de dingen die hij toont, zijn wat hem betreft wat ze zijn.

Fluxus

Dat klopt met zijn vertrekpunt in de vroege jaren zestig. De in 1942 geboren zoon van een boekhouder van Van Houten Cacao, die enige tijd de kunstacademie had bezocht, vond aansluiting bij de internationale Fluxus-beweging. Die was mede geënt op de vroeg twintigste-eeuwse dadabeweging, en organiseerde vooral wat je nu performances zou noemen. In 1961 betrad Schippers de Nederlandse kunstgeschiedenis met Aan Het Strand Te Petten, waarbij hij een flesje Green Spot-limonade leeggoot in de woelige baren. Ook zijn bekende pindakaasvloer, die in 2011 in het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen nog een tegenwoordig in de kunsten zeldzame verontwaardiging veroorzaakte alsmede veel museumbezoek, dateert als concept uit die vroege jaren zestig.

Schippers trok als student al de aandacht van Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum. Dat leidde in 1962 tot een geruchtmakende expositie in museum Fodor. ‘Zalen der waarachtige oninteressantie en on-dynamische kunst’ – een samenwerking met Ger van Elk – behelsde één zaal met glasscherven en eentje vol zout. Achtereenvolgende directies van het Stedelijk hebben Schippers verzameld – het museum bezit zelfs tekeningen uit 1960.

Toch zou Schippers vermoedelijk slechts een van vele jarenzestigkunstenaars gebleven zijn, wanneer hij niet door zijn baanbrekende televisiewerk de ganse natie op stelten had gezet. Het begon in 1967 met Hoepla, een nonchalant jeugdmagazine, waarin een schildersmodel zonder duidelijke aanleiding haar borsten toonde. Die borsten verdeelden de natie. Televisierellen – met Kamervragen en bezorgde ministers – waren geen onbekend verschijnsel in die jaren. Vooral De Telegraaf betoonde zich ijverig bij het aanjagen van de opschudding.

De grootste rel was in 1964 het door de VARA uitgezonden gebed Beeldreligie, over tv-verslaving. (‘Geef ons heden ons dagelijks beeld.’) Maar dat was satire. Het verwarrende van Hoepla, en de vele programma’s die Schippers later nog zou verzinnen, was nu juist dat het geen satire was, geen opzettelijke poging om de zeden te verruimen, niets met een verklaarde ideële bedoeling. Dat gold ook vanaf 1971 voor de Fred Hachéshow en de vele andere onconventionele ‘show’- en dramaprogramma’s die Schippers maakte voor de VPRO, waarvan straks ook proeven in het Stedelijk te zien zijn. De blote dans, de toilet bezoekende sterren, het algemene gestuntel – het was wat het was.

Cohesie

Toen het Centraal Museum in Utrecht in 1993 een groot overzicht wijdde aan Schippers, zei directeur Sjarel Ex in zijn openingstoespraak dat de kunstenaar een belangrijke bijdrage had geleverd aan de ‘cohesie’ van de Nederlandse samenleving. Dat is waar dat ludieke gedachtengoed van de jaren zestig eigenlijk op den duur gemeengoed werd, met vertedering en bewondering gadegeslagen tot in de kolommen van De Telegraaf. In die krant kon Schippers in de jaren negentig in een interview – vermoedelijk geheel naar waarheid – zeggen „dat hij nooit had willen provoceren”.

Schippers’ theatercarrière – zijn derde – begon in 1986 met het geruchtmakende Going to the dogs, een stuk voor zes herdershonden. Latere voorstellingen, zoals Hoogwater voorheen laagwater, zijn met mensen bezet maar liggen in de lijn van eerder werk: nooit cryptisch, maar vervuld van Schippers’ hoogstpersoonlijke associaties en interessen en daardoor nauwelijks met vrucht samen te vatten of te duiden. Dirk van Weelden heeft eens geschreven dat Schippers ‘vernuftige valstrikken’ zet, waardoor je voortdurend moet lachen, terwijl het toch geen parodie, persiflage of mop is. Of je raakt aangedaan door dingen waarvan je niet vermoedde dat ze kunnen ontroeren: de tragiek van een grasmat waarvan de opgroeiende sprieten keer op keer meedogenloos worden neergemaaid. De jaren zestig zijn voorbij – Schippers is gebleven, tot algemene tevredenheid van Nederland, lijkt het. Hoeveel theatervoorstellingen eindigen nog in eendrachtige samenzang van spelers en publiek? Noem het cohesie.